Afscheidsborrel Groningen

 

 

 

 

“Ga je ook wat zeggen?”, vroeg mijn moeder. “Ach, weet ik veel”, bromde ik. “Daar heb ik nog helemaal niet over nagedacht.”

Ik had er al heel veel aangedacht. Ik wilde mooie woorden, ware woorden, overtuigende woorden. Duidelijk woorden waarom Nederland me aan het hart ging. Of waarom ik het ging missen. Of waarom ik denk dat velen meer kunnen dan ze denken.

“Mag ik dan wat zeggen?”, vroeg mijn moeder.

Ik zuchtte. Waarom weet ik niet zo goed. Misschien was ik bang voor verkeerd geinterpreteerde woorden. Of misschien wel voor emotionele woorden. Waar ik me dan geen raad mee wist.

“Waarom zou je dat willen?”, vroeg ik. “Nou zo’n belangrijk moment vraagt er wel om. Het is er een mooi moment voor, om woorden te spreken. En ik denk dat je dat goed kunt.”

 

Dat denk ik ook. Maar als ik er over nadacht, vluchtten mijn gedachten de eerste beste zijweg in, op zoek naar grote, belangrijke, groteske woorden. Woorden die bol van overtuigingskracht stonden; zendelingen op zoek naar een luisterend oor, op zoek naar zielen die overtuigd moesten worden. En daarmee moest ik oppassen. Moest ik dat nog wel willen op mijn 34ste? Wat wist ik nou van de wereld? Wat wist ik nou van het leven? Bij tijd en wijle vond ik mijn leven een puinhoop: waarom zou ik dan grote woorden moeten spreken over passie, wilskracht, keuzes, dat iedereen zijn of haar leven te kiezen had.

En: waarom zou je ze überhaubt uitspreken? Het was maar een feestje, een gelegenheid waarbij sommigen maar ‘even goedendag’ kwamen zeggen. Zaten die mensen op dit soort woorden te wachten? De meesten zou een echte speech, al dan niet fronsend, ontvangen als ‘verrassend’.

Hoe dan ook: het is wel mijn afscheidsborrel: ik ga hier Nederland verlaten, en hoewel ik 8 jaar in het ‘buitenland’ heb gewoond, zegt mijn gevoel dat me dat veel doet. En dan is de drang om daar kleur aan te geven, niet te weerstaan. Is dat nu het nadeel van overtuigd zijn? Is het blindheid? Of oppervlakkigheid? Een te kort aan levenservaring misschien?

 

De afgelopen 4 jaar hebben mij in ieder geval ervan overtuigd dat dromen veel tastbaarder zijn dan ik dacht. En dat heeft me ongekende vreugde gegeven. Ook frustratie, trouwens.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat ik in het wielrennen een passie heb ontdekt die nauwelijks grenzen kent. Het doet me heel sterk denken aan de ‘passie’ die ik als klein kind had voor topografie: als jongetje van 10 stond ik vrijwillig om 6:00 op om hoofdsteden, oppervlakten, inwonertallen, hoogten van gebergten, en bruto nationale producten uit mijn hoofd te leren. Ja, dat vond ik helemaal het einde.

Nu moest alles wijken voor dat domme gefiets. Aan de ene kant prijsde ik me gelukkig met een hebben van een passie, aan de andere kant was het wel allesverslindend. Hoe dan ook, het heeft me wel overtuigd dat: als je wilt, je kunt. Niet iedereen om me heen is hier van overtuigd, maar als ik zie hoe ik het leven accepteerde rond 2002 en hoe ik het heb aangevallen na 2004, kan ik niet anders dan concluderen dat het voor mij zo werkt. En uiteraard gaat niet alles zoals gepland: op mijn werk tot een arbeidsconflict aan toe, en bij het wielrennen naar mijn mening te vaak mentaal niet klaar. Maar terugkijkend vind ik het wel ongelofelijk waar ik was en waar ik nu ben. 

 

Als ik hier dit kleine gezelschap bij elkaar zie dan zie ik wat familie, wat vrienden van een memorabele studententijd, wat collega’s die de 8:00 – 18:00 Dimitri kennen, wat fietsvrienden die Dimitri de beginnende wielrenner kennen en wat fietsvrienden die Dimitri de elite-renner hebben meegemaakt (er zijn overigens ook een heleboel mensen niet, die zie ik later deze week nog). Vrijwel niets hebben ze met elkaar gemeen.

 

De familie hoorde af en toe wat over het werk, en begreep daar weinig van. Af en toe hoorde ze wat over mijn fietsen en wedstrijden en dan was er vooral ongeloof: hoe kón dat nu in godsnaam? 

 

De vrienden zagen vooral weinig Dimitri. In het begin was hij nog wel eens in het Westen, maar later maar bar weinig. Werk ging goed, soms minder. Drinken deed hij al helemaal niet meer. En hij fietste vooral veel, eigenlijk alleen maar.

In de winter ging hij op vakantie: “Naar Tenerife” “Tenerife, in de winter?” “Ja, trainingskamp”.

In de zomer ging hij op vakantie: “Naar de Alpen, cyclo’s rijden.... eh fietsen bedoel ik”

Dat had hij in zijn studententijd vooral niet gedaan. Nee, hem kenden ze vooral van de nachtelijke uren op Biton en als nep-Belg met zijn speciale biertjes.

 

De collega’s zagen Dimitri vooral, en eigenlijk alleen als serieuze collega. Hard werken, geen tijd voor praatjes. En buiten werk zagen ze hem aanvankelijk nog wel, later helemaal niet meer. Laatste tijd overigens wel iets meer..., eerst theedrinkend, later steeds meer iets anders. Leve het rookverbod.

 

De ene groep fietsvrienden, Cyclesport Groningen, leerde Dimitri kennen als 2meter lichaam dat te hoekig, te bang, te rechtop op een véél te grote fiets zat. Maar heel snel veranderde dat in een compleet obsessief levende wielrenner bij wie het fietsen zijn werk leek (Wat doen ze eigenlijk bij de Shell?). En na een jaar of 3 was hij ook weer ‘weg’ bij de club om bij een andere club elite te worden.

Die andere club, Gaul!, zag hem binnenkomen als iemand die wel hard kon trappen, maar wielrennen: ho maar. Maar wel iemand die alles op zij zette om maar de “Grote Wedstrijden” te kunnen rijden (uitrijden was overigens wel iets anders) Uitspraken als de Mongolenwaaier, de Grote Tenoren, in de waaier moeten zitten om te overleven, in het wiel rijden, zeiden hem helemaal niets.

 

Tja, ik heb me als een klein kind gevoeld in een wielren-speeltuin waar ik met speeltjes mocht spelen waar ik eigenlijk net te jong voor was. En dat voelde als een heel erg groot voorrecht.  

Van dag 1 keek ik enorm op tegen Steven, en ik heb erg veel van hem geleerd. Van het monteren van een remblok, tot het vertrouwen in je eigen kunnen. Het meemaken van het WK met een vice-weltmeister als resultaat, is een herinnering die ik nooit zal vergeten. Wat was ik trots dat ik daar was.

Nu is het heel verleidelijk om me te verliezen in alle momenten die ik met CSG heb meegemaakt. Ik heb een poging gedaan om het samenvatten in de laatste Cycletalk, dus daar houd ik het bij. Weet dat jullie, en Léon, Steven en André in het bijzonder, me een geweldige tijd hebben gegeven. 

 

Dit jaar ging ik naar Gaul! om één keer het top-niveau mee te maken. Wat direct de grond werd ingedrukt door Jabik, top-coach en mede-oprichter van Gaul!: “ach het is gewoon breedte-sport hoor.” En de overgang van de ronde van Harkstede naar de Ronde van Groningen: dat was toch wel een hele grote stap. Lees: een beetje onmogelijk.

Toch ging ik er helemaal voor, met één doel: het NK Tijdrijden bij de Profs. Het NK bij de Amateurs, dat was leuk, en daar had ik moeten winnen, maar dit was toch wel het eggie. En warempel ik haalde het. Het is jammer dat ik op die dag niet méér heb kunnen genieten.

Maar het hele circus dit jaar met, op Mallorca op de fiets proostend met een lokaal brouwsel na een ‘legendarische’ training, revitaillering bij de ploegleidersauto, de afgezette wegen, het meerijden met de profs, met 65km/u op het lint getrokken worden, de Ronde van Groningen uitrijden, in het wiel zitten van Sven Kramer, de katherdraal in Oudenbosch bij het NK, godverdorie, wat heb ik ervan genoten. Jabik, Folkert, Sebastiaan, dat hebben jullie maar mooi even mogelijk gemaakt. En dan vergeten we de ontelbare tijdritten van Snits in Friesland waar alle Ferrari’s onder de tijdritfietsen elke keer weer bij elkaar kwamen, in de meest ongedwongen en vriendelijke sfeer die ik ken.

 

En dat was slechts de vrije tijd! Ik had ook nog een alle-tijd-verslindende baan. Het gezonde was dat ik af en toe wel weg moest omdat ik mijn trainingen moest afwerken. Of ik moest effectiever te werk gaan om het af te krijgen want die trainingen gingen wel voor. Het heeft me lang op de been gehouden, behoed voor een serieuze burn-out denk ik. Shell is een fantastisch bedrijf met duizend-en-één mogelijkheden, maar het blijft ook maar mensenwerk. In het begin denk je dat het voor je geregeld wordt, je komt tenslotte net kijken. Maar als je éénmaal hebt bewezen iets in je mars te hebben, ben je helemaal op jezelf aangewegen. “Zorg goed voor jezelf”, zei een scheidend collega in 2004. Ik snapte niet wat hij bedoelde, en het had een Maffia-achtige ondertoon. Nu weet ik heel goed wat hij bedoelde. Als je laat zien dat je er voor gaat, als je laat zien dat dit is wat je wilt, dan worden er deuren geopend waarvan je aanvankelijk dacht dat die er helemaal niet waren. Als je laat zien dat jouw weg, jouw plan waarde toevoegd aan het bedrijf, heb je een geweldige tijd, met leuke veldwerken en postings tot gevolg. Maar als je wacht totdat anderen je een weg aanbieden, een sleutel aanrijken, dan kun je blijven wachten. Niemand die een zier geeft om jouw ontwikkeling. Als jij niet ontwikkelt, doet iemand anders dat wel. Dus als je niet meer wilt, dan moet je weg: voor je eigen bestwil. “If you are cynical, get another job”, zei één van onze leiders. Precies: als je niet meer wilt, dan wordt het erg lastig om er uit te halen wat er in zit. Het is net fietsen.

 

In April ging het toch mis. Een combinatie van overwerk, miscommunicatie, niet duidelijke beloftes, het gevoel van te weinig erkenning (al dan niet terecht). De lijntjes niet meer strak genoeg, wat menselijke fouten, en daar lag ik, ziek thuis. Niet eens meer in staat om te genieten van een tochtje op de fiets. Interessant was hoe hoger management me probeerden te behoeden voor ‘het aan de grote klok hangen’. Moet je het gevecht aan gaan, strijden tegen het systeem, of juist voorkomen netwerken te beschadigen zonder resultaat, sterker nog, alleen maar afbreuk doen aan je eigen mogelijkheden. Ik heb in die tijd erg veel waardering gekregen voor de klokkeluiders. Er is veel, erg veel moed voor nodig.

Ik heb me er enigszins overheen kunnen zetten, maar het is goed dat ik ergens anders opnieuw kan beginnen. Mijn beginwaarden opnieuw kan definieren, waar ik niet dezelfde fouten zal maken die ik hier wel gemaakt heb.

 

Ik heb veel, heel erg veel van mijn vrije tijd op de fiets doorgebracht. Dit seizoen rond de 750uur. Dat is meer dan een halve baan, en dat is pure fietstijd, niet al de logistiek erom heen e.d. Soms was die tijd intens pijnlijdend. Minuten lang, soms meer dan een uur, soms meer dan vier uur. Je wordt gesteund door kuddegedrag, prestatiedrang, durf, talent en training. Maar vooral door wilskracht. (Het moet gezegd: soms had ik te weinig durf, te weinig rust in de kop, te weinig zelfvertrouwen en dan is het niet vol te houden) De wil om de pijn te lijden: ga dat maar eens uitleggen aan een niet-liefhebber. Bijna niet te doen.

De ontlading na zo’n kwelling is al helemáál niet uit te leggen. Daar kan geen drugs, een rustig kopje thee, of een wandeling langs de Aa tegenop. De vrije tijd die ik zó op de fiets heb doorgebracht, turend naar de horizon, maken herinneringen scherper, helderder, levendiger. En daarom ga ik Groningen en Nederland enorm missen. Het moment dat die herinneringen allemaal bij elkaar komen is als ik ’s avonds terugkeer vanuit mijn werk, op de fiets onder de naakte sterrenhemel, soms bij een felle maan. Een sterrenhemel die ik niet zal zien in Perth, domweg omdat ik op het Zuidelijk halfrond zit. Reken maar dat ik heimwee krijg.