Een verslag van de wintertriathlon Assen, 25 Oktober, Assen

 

 

Na het NCK dommelt wielrennend Nederland in slaap. De één maakt zich op voor een winterseizoen crossen, de ander wil dan zelfs pieken, maar de meesten nemen een welverdiende winterslaap. De wintertriathlon van Assen is daarom eigenlijk een brug te ver. Maar de NAM doet al een aantal jaar mee, en zeer verdienstelijk: in 2006 en 2007 wonnen we de eerste prijs bij de bedrijvenestaffette. Eigenlijk een beetje een bij-nummer, omdat het klassement los staat van de gewone estaffette. Maar de prijs die aan de eerste plaats hangt is een prestigieuze: een geheel verzorgde vakantie naar Inzell in februari, als daar de wintertriathlon wordt georganiseerd. In 2007 ben ik meegeweest en het was afzien: integenstelling tot de verwachtte 2m sneeuw en daarom zelfs een mountainbike aangeschaft, lag er geen millimeter en was het parkoers bijna geheel asfalt. Met een dag acclimatisatie, geen mountainbike ervaring en wel heel vroeg in het seizoen, een behoorlijke aanslag op de longen en het gestel. Maar wel gewonnen.

Dit jaar moest er dus weer gewonnen worden. Met Robert Huisjes een hele goede opvolger van Ger Kragten (Nederlands kampioen marathon bij 50+) en door de wol gevervde schaatser Johan Lek, had ik een team wat eigenlijk bij voorbaad al had gewonnen: alleen echte pech zou ons kunnen verhouden van een overwinning. Stiekem hoopte ik op een overall overwinning bij de estaffette. Maar het enige waar ik controle over had was de snelste tijd bij het tijdrijden. In mijn allerlaatste wedstrijd op Nederlandse bodem wilde ik met een goed gevoel afscheid nemen. Ook dat zou wel gaan lukken gezien de startlijst, totdat een gedege concurrent, uit onverwachtte hoek, zich kwam melden. Tijdens de seizoensafsluiting van Gaul! in Amsterdam liet Folkert tussen neus en lippen door vallen dat hij ook zou rijden.

“Ben je nog een beetje aan het trainen?”, vroeg hij.

“Nou ik probeer nog wel wat te doen ja, ik wil daar wel winnen”

“Wel nee man, dat doe je toch zonder te trainen? Kan best”

Was dit zand strooien? Of stond ik nu met 1-0 voor? Ik denk dat Folkert is een meester in het overbrengen wat hij eigenlijk niet bedoelt.

 

Twee weken voor de WTA doe ik eindelijk een poging om een serieuze tijd te zetten op het ‘rondje Peize’. Nu er geen wedstrijden meer zijn is er in het weekend eindelijk tijd om gewoon wat te rammen op een vierkantje van 8,3km. Daarnaast prima training voor een tijdrit van 50km. Met een goede warming-up van een uur flanneer ik in vol ornaat op de P3 door de stad. Het achterwiel zoemt. Een korte sprint, tot niets dienend, laat de tubes langs het asfalt schuren. Uitbollend, een diepe teug adem. Wat een genot, helemaal gratis.

Ik kies voor het eerste blok als recordpoging, en niet eerst halfslachtig een blok D3. De wind is ZW, behoorlijk fors, wat inhoud dat het eerste stuk windtegen is. Ik schakkeer mijn hersens zo dat ik geloof dat eerst windtegen beter is dan eerst windmee. Het rondje heb ik afgeraffeld voordat ik er erg in heb. De bochten zijn hier een feest: het gras is net niet hoog genoeg om niet te kunnen zien dat er geen verkeer aankomt. Je kunt dus hangend door de bocht, ook al is die 90 graden. De 10:35 is erg goed, geen parkoersrecord dat op naam staat van Josbert, met 10:27, en uiteraard heeft Steven hier ook al harder gereden: 10:29.

 

 

De week erna houd ik mijn laatste trainingen rondom Mook. Het begint koud te worden en de zwaarste training gaat niet van een leie dakje 2x[15’D3, 2’r, 15’D3, 10’D1]. De zondag trakteer ik me op een dosis snelheid. Door de glooiingen van de Zevenheuvelseweg speel ik adelaar die zich naar beneden stort op zoek naar een prooi. Maar de bladeren vallen te snel voor de bezemwagentjes van de gemeente Groesbeek. Fietspaden zijn spekglad geworden en een bocht nemen is zelfs op de stadsfiets geen sinecure. De fietspaden mijd ik. Naast de neergedwarrelde bladeren is ook het snelheidsverschil tussen mij en de dagjesmensen veel te gevaarlijk. Anticiperen op auto's is in deze veel makkelijker. Met 60 dender ik het dorp uit, het gaat hier lichtjes naar beneden. De muziek stampt op mijn oren. Plots kruipt er een politieauto naast me en maant me te stoppen.

"U weet waarom we U staande houden"
"Jazeker", antwoord ik rustig. De bon kan ik niet meer ontwijken en de agent doet gewoon zijn werk.
"Mag ik vragen waarom U niet op de het verplichte fietspad rijdt?"
"Omdat het snelheidsverschil tussen mij en de gewone wandelaar en fietser veel groter is dan tussen mij en de auto's. Het is levensgevaarlijk."
"Ja maar er wordt hier heel hard doorgereden, het is levensgevaarlijk om hier op de fiets te rijden."
Even voel ik de drang om de snelheidsdiscussie aan te gaan, maar staak de poging voordat ie begonnen  is. Er is niets mee te winnen.
"Mag ik Uw identiteitspapieren zien?"
Ik overhandig mijn ID kaart, die ik in mijn I-pod-hoesje heb gestopt. Als hij moet invullen met welk voortuig ik me voortbeweeg, leest hij met een schuin hoofd:" Het merk is een, eh, Cervelo?". Ik zeg niets.
"Wat is Uw adres?" Als ik het opdreun en hij begrijpt dat ik uit Groningen kom, kijkt hij verbaasd op. "U bent nogal ver van huis!?" Ik kijk hem wat verveeld aan. Gaat hij me nu op mijn whereabouts controleren? Hij schrijft de postcode fout op, en ik corrigeer hem beleefd.
"Wat is de schade?"
"35 euro"
”Voor te snel rijden neem ik aan?”, probeer ik. “Nee, voor het niet rijden op het verplichte fietspad”. Jammer, hij vat ‘m niet. Of wil hem niet vatten.

"Ok, prima. Wat gebeurt er als ik binnenkort ga emigreren?"
Met stijgende verbazing kijkt hij me aan:"O, eh, waar gaat U heen?"
"Australie"
"Ah", prevelt hij, wegdromend bij de mooie bestemming, op zoek naar een antwoord. "U schrijft zich uit, dus het wordt doorgestuurd naar uw volgende adres"
"Ok, dan is het prima, want ik wil niet opeens een bon van 1000 euro moeten betalen als ik terug kom in Nederland, buiten mijn schuld om."
"Nee, dat wordt geregeld. Nou, nog een prettige training, en eh doe voorzichtig he", probeert hij. Hij is ietwat de kluts kwijt.
"Ja, hoor, dat gaat lukken. Tot ziens"

Alle volgende lusjes draai ik gewoon op de openbare weg, maar de politie komt niet meer terug.
Over 3 weken zal hij het aankaarten bij de gemeentevergadering. Over 3 jaar mogen wielrenners, mits ze 40km/u rijden (en dus gedefinieerd kunnen worden als 'brommer') gewoon op de openbare weg.

 

 

De Wintertriathlon zelf benader ik rustig. Ik wil graag, maar niet ten koste van alles. Ik wil vooral ook kunnen genieten van de entourage. Het voelt een beetje als mijn evenement. Waarschijnlijk omdat het zo vertrouwd voelt. Ik weet de weg, ken het parkoers en weet wat ik moet doen. Samen met Folkert rijd ik me warm. Als enigen rijden we warm op de fiets, buiten de Smelt.

Ik vind het maar koud. Zo ’s morgens vroeg is het kwik nauwelijks boven de 5 graden gestegen. Tijdens de wedstrijd zal het zo’n graad of 10 zijn. Nou niet echt aangenaam. In de verte knalt de speaker de lopers van de estafette weg. Ik doe mijn laatste blokje en rijd uit. Ik laat mijn opstelling buiten staan. Mijn naiviteit gaat zo ver dat ik me niet kan voorstellen dat tijdens dit evenement er ook maar iemand rondloopt met de illussie mijn fiets te jatten. En gelukkig wordt die naiviteit beloont.

 

“Ben niet bang om de tweede helft te versnellen, volgens mij ben je veel beter dan je denkt”, prent ik Robert in voor de race.

De loper van Folkert’s team lijkt al een eeuwigheid binnen als Robert de Smelt binnen komt sprinten. Hij zet 36’ blank neer, terwijl hij zelf op 37’ had gegokt. Inderdaad, hij weet zelf bij lange na niet hoe goed hij is. In alle rust doe ik de sensor om, en ren naar buiten. Ik ren naar de startstreep en spring op mijn fiets. Dit wordt mijn laatste potje hardrijden, dit jaar. Gelukkig maar, want ik ben moe.

Ik dender over de kasseien van het Assense bos. Wat een crime zijn die steentjes toch. Maar ik prent me in dat ik een uitstekende kasseienrijder ben. Na het gezigzag door Assen, is het één lange streep naar Ekehaar. Halverwege moet ik vol in de remmen voor een tractor met aanhangwagen die door het tegemoetkomende verkeer, de wedstrijdmotor en mijn gewaarwording niet meer weet wat hij moet. Hij blijft plombverloren midden op de weg staan. Ook het tegemoetkomende verkeer weet zich ook geen raad meer en stopt ook maar. Ik scheld iedereen de huid vol. Één nul voor de adrenaline.

Na Ekehaar ontwaar ik een stipje aan de horizon, met een motor ervoor. Dat moet Folkert zijn. Het enige wat ik kan proberen is er heel langzaam naar toe te kruipen. Het is tenslotte een individuele tijdrit waar je niet zomaar even harder rijdt dan je directe tegenstrevers. Maar het lijkt er echt op alsof ik langzaam dichter bij kom. Ik moet me vooral niet opblazen. Ik heb geen idee waar ik met mijn hartslag zit, het ding heeft het weer eens begeven. Ik rijd op gevoel, en voor het eerst voelt dat fijn: ik zoek de grens op die net niet meer lekker aanvoelt. Dit moet net boven mijn verzuringsdrempel zijn.

Na een rondje ben ik Folkert genaderd tot een seconde of 25. Het stem van de speaker slaat over, en het is een zetje in de rug om een tandje bij te schakelen. Een versnellinkje, want het doet de spieren kermen. Maar het moet, dat gat moet dicht.

Toch blijft het tot Nijland redelijk contant, ik kom niet dichterbij. Maar omdat het laatste stuk weer draaien en keren is, en ik denk dat Folkert daar in het voordeel begin ik aan mijn laatste versnelling. Tijdens dat draaien en keren kun je enigszins op adem komen, dus het moet nu gebeuren. Ik ram de kasseien bij Schieven op. Maar het lijkt meer op ram-melen. Minder dan 10 minuten scheiden mij tussen tijd nu en de eindstreep, mijn bord moet leeg! Langzaam die ik Folkert dichterbij komen en dat geeft moed om ‘gewoon’ door te gaan. Ik moet als lijk over de finish.

In de Asserbos zie ik ‘m voor me rijden en bij de laatste bocht is het gat geslonken tot een luttele 2, 3 seconden. Ik ren naar de plek waar ik mijn fiets moet neerzetten en meer dood dan levend hijg ik Folkert achterna, de Smelt in. Johan neemt de transponder over en is als eerste van de estafetteteams op het ijs. Het zal toch niet? Folkert en ik feliciteren elkaar. Vanuit mijn oogpunt hebben we er een mooie race van gemaakt. Een wie weet wel de toeschouwers werkelijk vermaakt!

 

 

 

Ik ben af, op, uit. Ik zoek mijn racefiets op en sleur hem van de taxc. Alsof het voor iedereen duidelijk moet zijn dat dat mijn fiets is rijd ik de parkeerplaats van de Smelt af, op zoek naar rust. Ik verdwaal in een of andere nieuwbouwwijk van Assen. Dit was het dan, mijn laatste wedstrijd op Nederlandse bodem. Voorlopig althans. Het voelt goed, ook al blijkt de schaatster van Folkert’s team veel te sterk en wordt Johan naar huis gereden. Hij knokt voor wat hij waard is en heeft het loodzwaar. Te meer hij zijn eigen wedstrijd heeft uitgevochten met zijn zoon tijdens de sprintafstand eerder op de morgen. Voor de bedrijvenestafette maakt het niet uit: we worden met grote afstand 1ste. En kan de NAM volgend jaar Februari weer naar Inzell!