



Na het
NCK dommelt wielrennend Nederland in slaap. De één maakt zich op voor een
winterseizoen crossen, de ander wil dan zelfs pieken, maar de meesten nemen een
welverdiende winterslaap. De wintertriathlon van Assen is daarom eigenlijk een
brug te ver. Maar de NAM doet al een aantal jaar mee, en zeer verdienstelijk:
in 2006 en 2007 wonnen we de eerste prijs bij de bedrijvenestaffette. Eigenlijk
een beetje een bij-nummer, omdat het klassement los staat van de gewone
estaffette. Maar de prijs die aan de eerste plaats hangt is een prestigieuze:
een geheel verzorgde vakantie naar Inzell in februari, als daar de
wintertriathlon wordt georganiseerd. In 2007 ben ik meegeweest en het was
afzien: integenstelling tot de verwachtte 2m sneeuw en daarom zelfs een
mountainbike aangeschaft, lag er geen millimeter en was het parkoers bijna
geheel asfalt. Met een dag acclimatisatie, geen mountainbike ervaring en wel
heel vroeg in het seizoen, een behoorlijke aanslag op de longen en het gestel.
Maar wel gewonnen.
Dit
jaar moest er dus weer gewonnen worden. Met Robert Huisjes een hele goede
opvolger van Ger Kragten (Nederlands kampioen marathon bij 50+) en door de wol
gevervde schaatser Johan Lek, had ik een team wat eigenlijk bij voorbaad al had
gewonnen: alleen echte pech zou ons kunnen verhouden van een overwinning.
Stiekem hoopte ik op een overall overwinning bij de estaffette. Maar het enige
waar ik controle over had was de snelste tijd bij het tijdrijden. In mijn
allerlaatste wedstrijd op Nederlandse bodem wilde ik met een goed gevoel
afscheid nemen. Ook dat zou wel gaan lukken gezien de startlijst, totdat een
gedege concurrent, uit onverwachtte hoek, zich kwam melden. Tijdens de
seizoensafsluiting van Gaul! in Amsterdam liet Folkert tussen neus en lippen
door vallen dat hij ook zou rijden.
“Ben
je nog een beetje aan het trainen?”, vroeg hij.
“Nou
ik probeer nog wel wat te doen ja, ik wil daar wel winnen”
“Wel
nee man, dat doe je toch zonder te trainen? Kan best”
Was
dit zand strooien? Of stond ik nu met 1-0 voor? Ik denk dat Folkert is een
meester in het overbrengen wat hij eigenlijk niet bedoelt.
Twee
weken voor de WTA doe ik eindelijk een poging om een serieuze tijd te zetten op
het ‘rondje Peize’. Nu er geen wedstrijden meer zijn is er in het weekend
eindelijk tijd om gewoon wat te rammen op een vierkantje van 8,3km. Daarnaast
prima training voor een tijdrit van 50km. Met een goede warming-up van een uur
flanneer ik in vol ornaat op de P3 door de stad. Het achterwiel zoemt. Een
korte sprint, tot niets dienend, laat de tubes langs het asfalt schuren.
Uitbollend, een diepe teug adem. Wat een genot, helemaal gratis.
Ik
kies voor het eerste blok als recordpoging, en niet eerst halfslachtig een blok
D3. De wind is ZW, behoorlijk fors, wat inhoud dat het eerste stuk windtegen
is. Ik schakkeer mijn hersens zo dat ik geloof dat eerst windtegen beter is dan
eerst windmee. Het rondje heb ik afgeraffeld voordat ik er erg in heb. De
bochten zijn hier een feest: het gras is net niet hoog genoeg om niet te kunnen
zien dat er geen verkeer aankomt. Je kunt dus hangend door de bocht, ook al is
die 90 graden. De 10:35 is erg goed, geen parkoersrecord dat op naam staat van
Josbert, met 10:27, en uiteraard heeft Steven hier ook al harder gereden:
10:29.

De week erna
houd ik mijn laatste trainingen rondom Mook. Het begint koud te worden en de
zwaarste training gaat niet van een leie dakje 2x[15’D3, 2’r, 15’D3, 10’D1]. De
zondag trakteer ik me op een dosis snelheid. Door de glooiingen van de
Zevenheuvelseweg speel ik adelaar die zich naar beneden stort op zoek naar een
prooi. Maar de bladeren vallen te snel voor de bezemwagentjes van de gemeente
Groesbeek. Fietspaden zijn spekglad geworden en een bocht nemen is zelfs op de
stadsfiets geen sinecure. De fietspaden mijd ik. Naast de neergedwarrelde
bladeren is ook het snelheidsverschil tussen mij en de dagjesmensen veel te
gevaarlijk. Anticiperen op auto's is in deze veel makkelijker. Met 60 dender ik
het dorp uit, het gaat hier lichtjes naar beneden. De muziek stampt op mijn
oren. Plots kruipt er een politieauto naast me en maant me te stoppen.
"U weet waarom we U staande houden"
"Jazeker", antwoord ik rustig. De bon kan ik niet meer ontwijken en
de agent doet gewoon zijn werk.
"Mag ik vragen waarom U niet op de het verplichte fietspad rijdt?"
"Omdat het snelheidsverschil tussen mij en de gewone wandelaar en fietser
veel groter is dan tussen mij en de auto's. Het is levensgevaarlijk."
"Ja maar er wordt hier heel hard doorgereden, het is levensgevaarlijk om
hier op de fiets te rijden."
Even voel ik de drang om de snelheidsdiscussie aan te gaan, maar staak de
poging voordat ie begonnen is. Er is niets mee te winnen.
"Mag ik Uw identiteitspapieren zien?"
Ik overhandig mijn ID kaart, die ik in mijn I-pod-hoesje heb gestopt. Als hij
moet invullen met welk voortuig ik me voortbeweeg, leest hij met een schuin
hoofd:" Het merk is een, eh, Cervelo?". Ik zeg niets.
"Wat is Uw adres?" Als ik het opdreun en hij begrijpt dat ik uit
Groningen kom, kijkt hij verbaasd op. "U bent nogal ver van huis!?"
Ik kijk hem wat verveeld aan. Gaat hij me nu op mijn whereabouts controleren?
Hij schrijft de postcode fout op, en ik corrigeer hem beleefd.
"Wat is de schade?"
"35 euro"
”Voor te snel rijden neem ik aan?”, probeer ik. “Nee, voor het niet rijden op
het verplichte fietspad”. Jammer, hij vat ‘m niet. Of wil hem niet vatten.
"Ok,
prima. Wat gebeurt er als ik binnenkort ga emigreren?"
Met stijgende verbazing kijkt hij me aan:"O, eh, waar gaat U heen?"
"Australie"
"Ah", prevelt hij, wegdromend bij de mooie bestemming, op zoek naar
een antwoord. "U schrijft zich uit, dus het wordt doorgestuurd naar uw
volgende adres"
"Ok, dan is het prima, want ik wil niet opeens een bon van 1000 euro moeten
betalen als ik terug kom in Nederland, buiten mijn schuld om."
"Nee, dat wordt geregeld. Nou, nog een prettige training, en eh doe
voorzichtig he", probeert hij. Hij is ietwat de kluts kwijt.
"Ja, hoor, dat gaat lukken. Tot ziens"
Alle volgende lusjes draai ik gewoon op de openbare weg, maar de politie komt
niet meer terug.
Over 3 weken zal hij het aankaarten bij de gemeentevergadering. Over 3 jaar
mogen wielrenners, mits ze 40km/u rijden (en dus gedefinieerd kunnen worden als
'brommer') gewoon op de openbare weg.


De
Wintertriathlon zelf benader ik rustig. Ik wil graag, maar niet ten koste van
alles. Ik wil vooral ook kunnen genieten van de entourage. Het voelt een beetje
als mijn evenement. Waarschijnlijk omdat het zo vertrouwd voelt. Ik weet de
weg, ken het parkoers en weet wat ik moet doen. Samen met Folkert rijd ik me
warm. Als enigen rijden we warm op de fiets, buiten de Smelt.
Ik
vind het maar koud. Zo ’s morgens vroeg is het kwik nauwelijks boven de 5
graden gestegen. Tijdens de wedstrijd zal het zo’n graad of 10 zijn. Nou niet
echt aangenaam. In de verte knalt de speaker de lopers van de estafette weg. Ik
doe mijn laatste blokje en rijd uit. Ik laat mijn opstelling buiten staan. Mijn
naiviteit gaat zo ver dat ik me niet kan voorstellen dat tijdens dit evenement
er ook maar iemand rondloopt met de illussie mijn fiets te jatten. En gelukkig wordt
die naiviteit beloont.
“Ben
niet bang om de tweede helft te versnellen, volgens mij ben je veel beter dan
je denkt”, prent ik Robert in voor de race.
De
loper van Folkert’s team lijkt al een eeuwigheid binnen als Robert de Smelt
binnen komt sprinten. Hij zet 36’ blank neer, terwijl hij zelf op 37’ had
gegokt. Inderdaad, hij weet zelf bij lange na niet hoe goed hij is. In alle
rust doe ik de sensor om, en ren naar buiten. Ik ren naar de startstreep en
spring op mijn fiets. Dit wordt mijn laatste potje hardrijden, dit jaar.
Gelukkig maar, want ik ben moe.
Ik
dender over de kasseien van het Assense bos. Wat een crime zijn die steentjes
toch. Maar ik prent me in dat ik een uitstekende kasseienrijder ben. Na het
gezigzag door Assen, is het één lange streep naar Ekehaar. Halverwege moet ik
vol in de remmen voor een tractor met aanhangwagen die door het tegemoetkomende
verkeer, de wedstrijdmotor en mijn gewaarwording niet meer weet wat hij moet.
Hij blijft plombverloren midden op de weg staan. Ook het tegemoetkomende verkeer
weet zich ook geen raad meer en stopt ook maar. Ik scheld iedereen de huid vol.
Één nul voor de adrenaline.
Na
Ekehaar ontwaar ik een stipje aan de horizon, met een motor ervoor. Dat moet
Folkert zijn. Het enige wat ik kan proberen is er heel langzaam naar toe te
kruipen. Het is tenslotte een individuele tijdrit waar je niet zomaar even
harder rijdt dan je directe tegenstrevers. Maar het lijkt er echt op alsof ik
langzaam dichter bij kom. Ik moet me vooral niet opblazen. Ik heb geen idee
waar ik met mijn hartslag zit, het ding heeft het weer eens begeven. Ik rijd op
gevoel, en voor het eerst voelt dat fijn: ik zoek de grens op die net niet meer
lekker aanvoelt. Dit moet net boven mijn verzuringsdrempel zijn.
Na een
rondje ben ik Folkert genaderd tot een seconde of 25. Het stem van de speaker slaat
over, en het is een zetje in de rug om een tandje bij te schakelen. Een versnellinkje,
want het doet de spieren kermen. Maar het moet, dat gat moet dicht.
Toch
blijft het tot Nijland redelijk contant, ik kom niet dichterbij. Maar omdat het
laatste stuk weer draaien en keren is, en ik denk dat Folkert daar in het
voordeel begin ik aan mijn laatste versnelling. Tijdens dat draaien en keren
kun je enigszins op adem komen, dus het moet nu gebeuren. Ik ram de kasseien
bij Schieven op. Maar het lijkt meer op ram-melen. Minder dan 10 minuten
scheiden mij tussen tijd nu en de eindstreep, mijn bord moet leeg! Langzaam die
ik Folkert dichterbij komen en dat geeft moed om ‘gewoon’ door te gaan. Ik moet
als lijk over de finish.
In de
Asserbos zie ik ‘m voor me rijden en bij de laatste bocht is het gat geslonken
tot een luttele 2, 3 seconden. Ik ren naar de plek waar ik mijn fiets moet
neerzetten en meer dood dan levend hijg ik Folkert achterna, de Smelt in. Johan
neemt de transponder over en is als eerste van de estafetteteams op het ijs.
Het zal toch niet? Folkert en ik feliciteren elkaar. Vanuit mijn oogpunt hebben
we er een mooie race van gemaakt. Een wie weet wel de toeschouwers werkelijk
vermaakt!





Ik ben
af, op, uit. Ik zoek mijn racefiets op en sleur hem van de taxc. Alsof het voor
iedereen duidelijk moet zijn dat dat mijn fiets is rijd ik de parkeerplaats van
de Smelt af, op zoek naar rust. Ik verdwaal in een of andere nieuwbouwwijk van
Assen. Dit was het dan, mijn laatste wedstrijd op Nederlandse bodem. Voorlopig
althans. Het voelt goed, ook al blijkt de schaatster van Folkert’s team veel te
sterk en wordt Johan naar huis gereden. Hij knokt voor wat hij waard is en
heeft het loodzwaar. Te meer hij zijn eigen wedstrijd heeft uitgevochten met
zijn zoon tijdens de sprintafstand eerder op de morgen. Voor de
bedrijvenestafette maakt het niet uit: we worden met grote afstand 1ste.
En kan de NAM volgend jaar Februari weer naar Inzell!
