€4019,- 07-10-2008


[NL]
Voordat ik me
verlies in de epische beschrijving van mijn verhaal, wil ik eerst iedereen
bedanken die meegeholpen heeft aan de totstandkoming van een geweldige donatie
voor Warchild. De
‘donation-tracker’ staat momenteel op €4019,- (7 Oktober 2008), maar ik heb
heel goede hoop dat we dicht in de beurt komen van het eerder genoemde bedrag
van ~€4000,-. Pas als mensen me een mailtje hebben gestuurd met bevestiging dat
het geld is overgemaakt wordt het bedrag opgenomen in de ‘donation-tracker’.
Warchild zal er enorm zijn voordeel mee kunnen doen, en Gaul! doet weer een serieuze
duit in het zakje.
Ik ben enorm
blij dat ik een keer het ‘echte’ NK heb mogen meemaken. Tijdens mij jeugd
verslond ik sportuitslagen en waren sporters mijn helden, maar ik had nooit gedacht
dat ik daar deel uit van kon uitmaken. In de 2 jaar dat ik me gemengd heb in
het competitiegedrang heb ik me toch maar mooi opgewerkt tot het NK van de
profs. In het eerste jaar elite, direct naar het NK en dat met een potentieel
alle-tijd-verslindende baan. Het wielrennen weerhoud me ervan om alle energie
in mijn baan te stoppen, en dat is op de langere termijn heel erg gezond.
Daarnaast heb ik enorm veel geleerd van het wielrennen dat van toepassing is en
kan zijn op mijn werkomgeving en mijn werkprestaties. Het is frappant hoeveel
overeenkomsten er zijn tussen sportieve prestaties en het bedrijfsleven. Ik zal
er een andere keer langer over uitwijden.
Nogmaals dank
voor jullie ondersteuning! Ik vervolg mijn weg gevuld met de passie voor het
wielrennen. Hoe die eruit ziet zal de tijd leren.
Met
tijd-splijtende groet,
Dimitri Lafleur
[UK/CA/USA]
Before I loose myself in an epic and laborious tale telling, I first would like to thank everyone who has contributed to a magnificent donation to Warchild. The ‘donation-tracker’ currently has reached €4019,- (7 October 2008), but I have very high hopes that ultimately we will reach the ~€4000,- mentioned earlier. Only when people have sent me an e-mail confirming their donation their amount will be added to the sum of the ‘donation-tracker’. Warchild will benefit a lot from these kind of private campaigns and Gaul! has contributed once again.
I am proud to have taken part in the National Championship Time Trial. During my youth I only paid attention to the sports pages: sportsmen- and women were my heroes, but I never thought I could be part of that elite-circle. In the two years that I have taken part in competitions I climbed up to national level. In my first year as ‘elite’, straight to the NC together with a potential all time consuming job ‘on the side’. Competition cycling prevented me of allocating all my time to my job, and in the long run that is a very healthy situation to be in. Besides that I learned a lot that could be applicable to my working environment and my personal delivery. It is striking how alike competitive sports and world of business are. But I’ll save that elaboration for another time.
Once again, thanks very much for your support! I will follow my way, indulged with the passion for cycling. Only time can tell what it will look like.
With a time splitting regard,
Dimitri Lafleur



“And it is that promise that forty five years ago today, brought Americans from every corner of this land to stand together on a Mall in Washington, before Lincoln's Memorial, and hear a young preacher from Georgia speak of his dream.
The men and women who gathered there could've heard many things. They could've heard words of anger and discord. They could've been told to succumb to the fear and frustration of so many dreams deferred.
But what the people heard instead - people of every creed and colour, from every walk of life - is that in America, our destiny is inextricably linked. That together, our dreams can be one”.


http://www.huffingtonpost.com/2008/08/28/barack-obama-democratic-c_n_122224.html
Ik heb
met kippenvel zitten kijken naar dit charismatisch wonder. Door de buis heen
flitst er hoop en vertrouwen op de toeschouwer af. Matthew Star revisited. Hij, met zijn grappige voornaam en zijn
flaporen, dacht eigenlijk dat er geen plek voor hem was weggelegd maar ging de
weg die hij op wilde. En zie waar hij nu geëindigd is. Pure wilskracht bracht
hem op de plek waar hij moest zijn.
Toen
ik in November vorig jaar voor de keuze stond wat te doen met het volgend
seizoen had ik twee opties. Of nog 1 jaar Amateur-A zijn, en misschien meer in
de prijzen rijden, of elite worden en kijken hoe ver ik kon reiken. Het enige
doel wat me voor stond was het NK Tijdrijden voor de elite. Was dat überhaubt
haalbaar? Al snel kwam daar een klassieker uitrijden bij, maar ook hier kwam al
snel de aantekening: “het is wel het uiterste hoor: van de ronde van Harkstede
naar de Ronde van Groningen.” Maar onder het
mom van ‘shoot for the moon, even if you miss, you’ll be among the stars’ ging
ik het avontuur aan. Pure wilskracht zou me er brengen. De Ronde van Groningen reed ik zo waar
uit, maar de kwalificatie voor het NK had veel meer voeten in de aarde.
Omdat
Gaul! in Amsterdam ingeschreven staat moest ik me tijdens de
districtskampioenschappen van Noord-Holland zien te kwalificeren. Het niveau in
Noord-Holland is hoger dan in het Noorden, dus moeilijk zou het zeker worden,
maar het kon. Daar was ik van overtuigd, hoewel ik wel 2 van volgende namen
naar huis moest rijden: Germ van de Burg, Robert Slippens, Levi Heimans,
Josbert de Vries. Op de dag des oordeels, 11 juni, mijn verjaardag nota bene,
was ik er helemaal klaar voor. Dat wil zeggen, het hoofd was er, eigenlijk voor
het eerst, helemaal klaar voor: dit was mijn dag, er was niemand die mij van
het podium zou kunnen afhouden. Ik zou hier 47 gemiddeld gaan rijden. Nog nooit
was ik zo relaxed in de voorbereiding, zo overtuigd dat er niets mis meer mis
kon gaan.
We
zullen het nooit weten, omdat het een dienstdoende wijkagent zonder overleg met
de organisatie de wedstrijd, al aan de gang, afgelastte omwille van de
veiligheid. Renners die nog moesten starten waren al huiswaarts gekeerd voordat
de organisatie in de gaten kreeg wat er gebeurde. Bij nadere inspectie bleek
dat alles in orde was, maar de wedstrijd kon geen doorgang meer vinden omdat er
sprake was van vervalste competitie. Uit pure frustratie reed ik rondje een
keer, en het ging frustrerend makkelijk. Een week later won ik in Oudermirdum:
de vorm was er wel degelijk.
De
KNWU wist niet hoe ze het moest aanpakken. Het regelement liet geen ruimte voor
dit soort gevallen. Tot 2 weken voor het NK was het onduidelijk wie er uit
Noord-Holland mocht starten. Met al deze onzekerheid op de achtergrond
sluimerend werkte ik mijn schema en wedstrijden af, voor het geval dat. Als het
niet zou gaan lukken, werd mijn seizoen een zware sof. Gepiekt in Maart,
kwaliteiten getoond in Lemmer eind April, maar daarna? Na tig e-mails en
telefoontjes werd duidelijk dat ik me gekwalificeerd had, maar tot op heden is
het onduidelijk op welke gronden dat gebaseerd is. Ach, het was eigenlijk niet
belangrijk, ik zou mogen mee doen, en kon ik gaan plannen waar het me
uiteindelijk allemaal om te doen was: geld inzamelen voor Warchild.
Uiteindelijk is het dat waarom het draait bij Gaul!
De
respons was enorm: mensen vonden het een geweldig initiatief.


Klik hier voor de uitslag.
Ondertussen
ging de trainingsintensiteit serieus omhoog. Na een ‘fietsvakantie’ in de
Dolomieten en de Alpen (met de Dolomieten marathon en Marmotte en wat kleinere
cyclo’s) was het eind juli tijd voor serieuze planning. Na 2 weken opbouw was
het duidelijk dat de snelheid met grote spongen vooruit ging en na een weekend
criteriums rijden in Dalen en Usquert zag het er echt goed uit. Alleen kon ik
geen resultaten overleggen omdat ik beide criteriums niet uit reed. In Dalen,
een echt hak-criterium, reed ik 10 ronden voor het einde lek, terwijl ik in de
groep zat voor plek 9. Als anti-criterium renner was dat gewoon uitstekend. In
Usquert kwam het met bakken uit de hemel, en koos ik half koers eieren voor
mijn geld. Voor het gemoed niet goed, maar het leek me verstandig. De dinsdag
erop kwamen er akelig hoge snelheden op de km-teller tijdens een D1 training.
Waar ging dit heen? Ik ging mijn zwaarste trainingsperiode in en had er
ontzettend veel zin in.
Dezelfde
avond werd ik geveld door een voedselvergiftiging en een buikgriep.
Waarschijnlijk is het te wijten geweest aan een fles wortelsap, die al een tijd
in de koelkast stond, ongeopend, maar misschien stonden de linksdraaidende
melkzuren zo strak van de energie dat mijn maag dat niet meer aan kon.Het
restaurant van de NAM kan het niet geweest zijn, daar ik de enige was die dag
met klachten.
In de
daaropvolgende 5 dagen kon ik me één keer zo ver krijgen om me naar de
supermarkt te slepen. Een tripje naar Cycletrend kostte me bijna de kop. Bij
aankomst moest ik om een stoel vragen omdat ik bijna van mijn stokje ging.
Water dat ik binnen hield, kwam er 5 minuten later als diarree weer uit. Het is
eng hoe snel je kilo’s kwijt raakt in zo’n korte tijd.
Acht
dagen later reed ik in Wons, waar werkelijk al het Noordelijk Tijdrijd-geweld
aanwezig was, naar een vierde plek, vlak achter Rene Hooghiemster en Steven
Sloof. Lieuwe Westra reed me op een minuut, maar ik zag hem als podium
kandidaat op het NK, dus het zag er gewoon goed uit. In het begin geholpen door
het stuk voor de wind, bleef de hartslag langer hoog D3 i.p.v. anaeroob, en dat
bleek de oplossing: even wat langere acclimatisateren was het geheim van mijn
goede tijdrit. Even de Diesel op gang laten komen om vervolgens het
weerstandsniveau te kunnen vasthouden. Lange tijd kon ik genieten van de race:
het rammen werd voor me gedaan, hoefde weinig wil aan te wenden om te doen wat
je nu eenmaal moet doen tijdens een tijdrit: afzien. Het laatste deel kon ik de
turbo aanzetten en sprintend op de finish afstormen. Het Cancellara-gevoel
maakte zich van mij meester: staand op de pedalen naar de finish. Wat was het
heerlijk om weer echt diep te gaan. Het was een uitstekende eerste test en zag
met vertrouwen de topvorm tegemoet.

Klik hier
voor de uitslag.

Weer
een week later was de ploegentijdrit op de Afsluitdijk. In de doordeweekse
intensieve training werd ik er afgereden in het laatste blok en dat stak enorm.
Dat ik tijdens een klassieker de ervaring ontbeer om altijd maar weer uit de
wind te zitten, à la, maar tijdens een ploegentijdrit was ik niet van plan om
te moeten lossen. “Jullie gaan winnen zondag”, wist Folkert. Oei, er werd
gewoon verwacht dat we wel even zouden winnen. Hoewel ik zelf ook wel wist dat
dat tot de mogelijkheden behoorde, herinnerde ik me vooral het afzien tijdens
de rit vorig jaar en het jaar daarvoor. Nu moest het serieus sneller, en werd
er verlangd dat er gewonnen werd. ’s Morgens voelde ik dramatisch. Zwetend werd
ik wakker, en stond hoofdschuddend op: waarom nu, nu de winst op het spel
stond? De dag ervoor had ik Joris verhuisd en me wel wat zorgen gemaakt over de
hoeveelheid hondenhaar die daarmee gepaard was gegaan. Maar ik wilde van geen
excuses weten en zou wel zien waar het zou stranden. De ploeg bestond uit
Josbert de Vries, Marco Bos en Arjen Bos. Als ik er af moest, dan was dat maar
zo, maar het zou me niet lekker zitten.
Bij de
start positioneerde ik me als vierde, waardoor ik als laatste de eerste
kopbeurt voor de kiezen kreeg. Het bleek voldoende tijd om te acclimatiseren.
De rest was trance. Het ging verbijsterend goed, ik draaide met Josbert lange
kopbeurten, tegen de wind in 45, voor de wind 62, snelheden die ik met geen
mogelijkheid voor mogelijk had gehouden. Door te focussen op het uit de wind
zitten als ik niet op kop zat, zakte de hartslag zo ver naar beneden dat het
gewoon een aaneenschakeling was van korte sprintjes. Het gemiddelde kwam akelig
dichtbij de 50km/u en we reden NCK topteams als de Friesche Leeuw naar huis. De
euforie was groot en ik had verschrikkelijk veel zin in het NK. Met deze vorm
was er iets heel moois mogelijk, en alles wees er op dat dat ‘gewoon’ ging
lukken.




Klik hier voor de uitslag

‘Zin’
in deze was een belangrijke gewaarwording. Ik benaderde wedstrijden altijd als
iets waar je je moest bewijzen. Onder druk laten zien waar je toe in staat was,
omdat je nu eenmaal had laten zien dát je er toe in staat was. Maar sinds
Oudemirdum kwam er langszaam de zin voor in de plaats. Ik had zin om zo hard
mogelijk te rijden, zin om te zien hoe ver ik kon reiken, niet ten opzichte van
anderen, maar van mezelf. De angst om te falen, om het niet te halen, was er
niet meer. Er kwam lol voor in de plaats, en dan is de opgelegde kwelling
zoveel makkelijker te dragen, sterker nog: je nog meer pijn doen is dan een
spel i.p.v. een verplichting. Zie daar een 1, misschien wel 2km/u winst. De
typische voorbereiding met de juiste muziek, de juiste aantal minuten opwarming
maakte langzaam plaats voor een losse voorbereiding omdat ik wist wat ik moest
doen om goed te zijn: het kwam slechts neer op 2x de hartslag omhoog jagen en
klaar was ik. Als ik tijdens het NK zin had om gewoon het beste in me boven te
halen voor mezelf, dan was dat het recept voor de ultieme prestatie. Het was
toch geweldig dat dat besef boven kwam drijven net voor een NK.
Tussen
de bedrijven door werd het duidelijk dat ik inderdaad Nederland ging verlaten.
Ik kon voor mijn werk 4 jaar naar Australie, en die kans liet ik me niet
ontnemen, hoewel de beslissing moeilijker was dan ik had gedacht. De hamvraag
is namelijk of je echt weer alles gaat opgeven als je de kans krijgt, na tig
verhuizingen.
Tijdens
de warming-ups en uitrijden bij wedstrijden en tijdens trainingen dwaalde mijn
gedachten vaak af naar de omgeving. Ik was elke keer afscheid aan het nemen van
de horizon, van de boomlijn, van de wind, van schapensokjes die onder de
ochtendmist vandaan kwamen. Ik laste zelfs een ‘illegale’ training in op de Mooksebaan,
omdat het één van de mooiste wegen is waar je over kunt rijden. De bomen
toornen tientallen meters omhoog en beschermen je als een grote groene hand. De
weg deint langzaam op een neer van Mook naar Groesbeek. Op een deel geld een
maximum snelheid van 60, op een deel 80. Fietsers mogen er niet rijden.
Volledig in outfit ging ik 16 Augustus op pad: ik wilde de snelheid van de
Mooksebaan ondervinden, ik wilde dat golvende wegdek onder me vandaan zien
flitsen, het dichte achterwiel horen grommen, als ik mijn eindsprint in zou
zetten. Met een nog nooit gehaalde 30km/u over de 980m 5,4% helling kwam ik aan
op de Mooksebaan en dook het bos in. De snelheid vloog naar de 60 en had de
tijd van mijn leven. In de verte opende de groene poort zich langzaam, het
beelde trilde, ogen zagen niet alles scherp meer terwijl de witte strepen onder
me doorschoten. Kinderfantasieen schote door het hoofd heen. Als Atreyu op zijn
paard denderde ik van het Niets vandaan. Als Frodo probeerde ik te ontstnappen
van de Balrog in de mijnen van Moira. Dit was een mogelijke bekeuring meer dan
waard.
Na de
wedstrijd in Wons nam ik afscheid van Friesland, hoewel de tijdirt op de
Afsluitdijk nog zou komen. Het weidse wat Friesland Friesland maakt. De o zo
heerlijke kneuterige atmosfeer in het dorpshuis wat wv Snits wv Snits maakt. De
Friesche tongval wat me thuis doet voelen. De wind die je vijand is tijdens een
wedstrijd maar zo vaak na afloop je vriend is gebleken: het was verdomd jammer
dat daar nu toch echt een eind aan kwam. Ik heb de vrijwilligers van wv Snits
hartelijk bedankt voor hun inzet, die ze met wat verbazing in ontvangst namen.
“Meestal is er alleen maar gezeur. Je doet het nooit goed.” Dat nam ik dan weer
met verbazing in ontvangst: wedstrijden van wv Snits zijn onder uitzondering
een feest.


De
laatste week voor het NK was de eerste week van een cursus in Rijswijk. Ik zag
het als perfecte voorbereiding: elke dag werd er voor je gezorgd, maaltijden
werden geregeld, en er was zelfs voldoende tijd om de laatste trainingen af te
werken. Op 10km van Rijswijk loopt de N468, en tussen Schipluiden en Maassluis.
De fietsers hebben hun eigen fietspad, pitoresk langs het water, de auto’s
hebben hun eigen 2-baansweg. Af en toe flitst er een serieuze fietser langs,
die het fietspad schuwt: terecht, omdat de snelheid te hoog is om veilig alle
voetgangers, ligfietsers en kruisende wegen te passeren. En als je de snelheid
van de auto’s benadert is er op de 2-baansweg niemand die je in de weg
zit.
Tijdens
de laatste serieuze training had ik de 50 in het vizier, rijdend aan de wind op
open wielen en een hartslag op anaerobe grens. Ik moest me zelf inhouden om
niet wéér een sprint aan te trekken om te zien hoe hoog ik vandaag zou komen.
Ik schudde het allemaal vrij moeiteloos uit de mouw.
“Ach,
het maakt niet echt uit wat ik de laatste week doe voor het NK”, zei Steven
vorig jaar. Ik had geen idee wat hij toen bedoelde. Nu wel. Het enige waar ik
me een beetje zorgen om maakte was de omgeving waar ik de week voor het NK in
moest werken. Ik had cursus in Den Haag, en een na de ander begon te snotteren
door de droge airco in het gebouw. Gekoelde lucht die alleen maar door een
gebouw verplaatst werd, waar 2000 mensen werkten, is vragen om virussen
op oorlogspad. Ter compensatie sliep ik veel en dacht na een fikse buikgriep
wel voldoende witte cellen aangemaakt te hebben.




Zaterdag
30 Augustus
In een
uur rijd ik naar Oudenbosch, uit de verte te herkennen aan een kolossale
basiliek. Met de bouw is in 1865 begonnen en werd begeleid door, de beroemdste
architect uit die tijd: Pierre Cuijpers. De kerk is gebouwd naar voorbeeld van
de St. Pieter in Rome. Ik heb met Esther bij het station afgesproken en we
rijden eerste het rondje met de auto. Het lijkt een lang rondje: en dat 2
keer... Maar wel een mooi rondje, weinig echt bochten, lange rechte wegen, en
zelfs een flink stuk klinkers. Ik zie me hier morgen flink tijd pakken: de
laatste kilometer is over klinkers en ik prent me in hier alles uit de kast te
trekken: juist omdat het klinkers zijn. De finish en de 1ste passage
is naast de basilliek. Het idee hier langs te mogen denderen voelt geweldig:
wat een entourage. Daarna rijden we het rondje 2 keer op de fiets en de laatste
2 blokjes grens D2/D3 gaan eng goed. Op de dijk toornt de basiliek boven de
horizon uit. Het het een geweldig gezicht. De rest van de training draai ik een
hoog beentempo, tegen de 120, en voel me geweldig. “Laat de NK maar komen!”,
zeg ik tegen Esther die minder enthusiast is, noch over het rondje, nog over
haar benen. Ze is gestresst, terwijl ik de rust zelve ben. Ik ben vastberaden
er morgen mijn dag van te maken, er is niets meer dat me daarvan kan
weerhouden. Een uur lang op de weerstandsgrens rijden wordt gewoon een feest:
het eerste half uur niet te gek, en dan afmaken.

’s
Avonds leg ik nog een keer uit hoe Corrie in Oudenbosch moet komen, en vertel
haar waar we elkaar zullen trekken. Ik plan ruim voldoende tijd in, ik wil daar
zeeën van tijd hebben om bij wijze van spreken in het gras te kunnen liggen.
Zondag
31 Augustus.
Ik
zucht en slik een keer. Mijn keel doet pijn. Even is er paniek: nee, niet nu,
niet vandaag. Ik voel me niet top, maar weiger te geloven dat ik juist vanacht
ziek ben geworden. Toch kost opstaan meer moeite dan normaal. Ik denk aan
vorige week waar ik me echt niet goed voelde en toen de makkelijkste tijdrit
van mijn leven reed, dus wie weet is dit de manier waarop mijn lichaam zich
voorbereid op belangrijke wedstrijden. Na het ontbijt check de afmetingen van
mijn fiets. De horizontale afstand tussen bracket en zadel is 5cm: dat heeft
Steven prima gedaan. De afstand tot de bars van mijn stuur is 83cm: de linker
steekt al het hele seizoen meer uit dan de rechter. Maar met wat carbonpasta
krijg ik ‘m terug geduwd, en de afstand is exact 80cm. Ik stel mijn carbonnen
remblokken af en maak de ketting helemaal schoon. Het frame blinkt. Het is
zondag en vroeger zou ik nooit reparaties laten wachten tot zondag, maar
kennelijk heb ik voldoende vertrouwen gekregen in mijn eigen handigheid wat
betreft fietsen. Wederom met dank aan Steven: vorig jaar tijdens het WK moest
hij me er nog op wijzen dat ik een remblok verkeerd om aan het monteren was:”nee, de imbus moet aan die
kant, anders kan ie losschieten”. Als je er naar kijkt is het logisch, maar ik
had er nog nooit bij stil gestaan.
Ik
voel me wat neerslachtig, mis de gemoedstoestand die ik de afgelopen 2 weken
had. Ik voel me suf, lusteloos en kan niet de scherpte, de gretigheid oproepen
die ik voorafgaand aan de laatste wedstrijden had. Een uur weerstandsniveau
lijkt opeens heel erg lang. Het zou toch wel gaan lukken vandaag?



Om
13:50 kom ik in Oudenbosch aan, waar mijn moeder al is gearriveerd.
Bij de
Permanence, tegenover de basiliek haal ik mijn nummer op. Ik krijg een lap van
een plakaat mee die ik op de auto kan plakken, met mijn nummer en naam er op.
De junioren en nieuwelingen zijn met hun NK bezig. Rood aangelopen gezichten
passeren de finish. Bij sommigen is de snelheid er volldig uit, andere hebben
nog over voor een laatste venijnige sprint. Ik loop naar de parkeerplaats waar
de auto staat waar ook Sebastiaan en Jabik zijn gearriveerd. Het is geweldig
dat ze hier zijn. Ik vind het super dat ik gewoon een auto met plakaat ‘Dimitri
Lafleur’ op de motorkap achter me heb rijden. Sebastiaan zal mijn teammanager
zijn vandaag.
Corrie
wil graag de basiliek bezoeken en vraagt of ik mee ga. Ik zeg dat ik me nu
alleen nog met de wedstrijd bezig moet houden, hoewel dat het komende uur
slechts uit wachten bestaat. Ik leg mezelf in het gras, probeer me te
ontspannen. Het is prachtig weer, maar ik ben met mijn gedachte alleen maar bij
mijn longen en keel. Kan er nu even een wonder neerdalen zodat ik me voel zoals
een week geleden? Nee, geen wonder in zicht.
De
warming-up gaat op de automatische piloot, maar ik schrik van de hartslag: net
als bij het NK Amateurs-A is die vreselijk hoog als ik op de fiets stap. ‘Niet
aan denken, je red het wel.’ Ik werk me flink in het zweet en drink meer dan
een liter.
Ik til
mijn fiets het podium op. Ik voel me rustig. De gelijkenis met het WK dringt
zich op. Het voelt niet als nieuw, het voelt alsof ik hier moet zijn. Hier hoor
ik thuis. “Tien seconden”. Ik zuig een paar teugen zuurstof op. “Drie, twee,
één.” Daar ga je.




Ik
snel op de eerste bocht af, en in een flits zie ik dat mijn kilometerteller nog
op nul staat. Soms heeft ie 5 seconden nodig om te beseffen dat het allemaal al
begonnen is. Maar na de bocht staat er nog steeds een grote 0. Onder me
rammelen de bakstenen. Vorig jaar gebeurde hetzelfde bij het NK Amateurs en zat
ik na 5 minuten aan mijn sensor te prutsen om toch een snelheid op het display
te krijgen. Het lukte niet en ik was daardoor niet 100% met wedstrijd bezig.
Dat zou me niet nog een keer gebeuren, en schakel over naar de plan B, dat nu
kennelijk automatisch in werking treed: op hartslag verder. Ik weet donders
goed waar ik moet zitten.
Ik
stuur naar links de weg op, Oudenbosch uit. Uit het zadel, met licht verzet
versnel ik, schakel langzaam de ene na de andere versnelling op, en kom uit op
54x12. De hartslag is de 174 gepasseerd, terwijl de anaerobe drempel op 169
ligt. Dit is te hard, dit ga ik normaal gesproken niet volhouden. Ik heb nog
nooit zo snel op 174 gezeten. Is het het effect van de ziektekiemen? Zit de
hartslag hoger dan ie zou moeten zitten? Met andere woorden: trap ik nu het
vermogen wat eigenlijk bij mijn anaerobe grens hoort? Ik krijg er geen antwoord
op.
Wat
nu? Ik concentreer me op mijn ademhaling en merk dat die redelijk onder
controle is. Diepe teugen. Ik overtuig mezelf van het feit dat ik niet op mijn
hartslag af kan gaan. En nu ik ook niet weet hoe hard ik rijd ontbeerd me elk
referentiekader. Langzaam klimt de hartslag naar de 183, waarden die ik
normaliter alleen in de eindsprint haal. Verdomme, hoe kan dit? Achter denk ik
Sebastiaan ‘rustig, rustig’ te horen roepen. Toch is de ademhaling goed, ik heb
niet het idee dat ik aan mijn tax zit. Ik besluit door te rammen, het is
tenslotte mijn dag, een dag waarop meer mogelijk is dan normaal. Op het 4
kilometer punt hoor ik Sebastiaan ’15 seconden’ roepen. Ik ben 15 seconden op
Josbert ingelopen, in 4 luttele kilometers. Even laten komt er ’20 seconden’
uit de auto. Sjonge, als ik dit kan vasthouden wordt het leuk. Het voelt dan
wel niet leuk, maar dat is alleen maar een goed teken. Nog steeds zit de
hartslag op 180, en ik krijg ‘m niet naar beneden. Ik draai de dijk op, nu is
het zaak het rechte stuk door te komen, het geheel in secties opdelen. Voor
zover ik het op dat moment al bedacht had, is die gedachte ook weer verdwenen.
Ik leef bij de seconde, denk niet verder dan de dwanggedachte dat er evenveel
kracht op de volgende pedaalslag moet zitten als op de vorige.


Links
zwijgt de basiliek in de verte. Ik heb er geen oog voor, ik zie niets anders
dan de witte strepen op de weg, de motor voor me, ver voor me. Af en toe
dwarrelt er een 3-cijferig getal voor de ogen, rond de 180. Af en toe neigt het
hoofd naar beneden te zakken, maar automatisch druk ik het omhoog, omwille van
de aerodymica. Het heeft er alle schijn van dat het lichaam tekenen geeft van
uitputting, dat het in één wil zakken, maar ik geef er niet aan toe. Ik ben
nota bene nog niet eens op de helft. Ik merk gaandeweg dat het stampritme, het
echte ronddraaien van de pedalen plaatsmaakt voor een normale trapbeweging. Dat
is geen goed nieuws: nu wordt het werken, proberen het vermogen vast te houden
terwijl de beweging anders. ‘Kom op, kom op’, hoor ik uit de auto. Ja Sebas,
man, ik kan gewoon niet harder! Jíj weet niet dat mijn hartslag al bijna een
half uur op 180 zit. Ik probeer ‘nee’ te schudden met mijn hoofd, maar iedere
beweging die weergeeft dat ik niet harder kan, wordt door het lichaam
beantwoord met nog minder vermogen. Bochten die ik vantevoren had aangemerkt
als ‘mooi’ neem ik vierkant of gebruik ik om omhoog te komen om even lucht te
happen. Eén bocht schat ik helemaal verkeerd in en eindig in de berm, maar kom
daar zonder kleerscheuren ook weer uit.
Uit de
auto komt nu allerlei lawaai, alsof daar nu echt de paniek is uitgebroken. Hoe
doet Sebastiaan dat toch? Hij maakt zoveel kabaal, hij moet die auto toch ook
besturen (achteraf blijft Jabik er ook ingezeten te hebben, en hij schreeuwde
de hele omgeving plat).
Na het
uitstapje in de berm, zet ik weer aan, maar het kost nu echt veel moeite. Naar
de kasseien, ik moet naar die kasseien, dan komt het vast weer goed.
Ik
rammel over de bakstenen, vluchtheuvels en laatste valsplat richting 1ste
doorkomst. Een poging om speeksel te lozen levert me een Breukink-gezicht op.
Het is zo visceus dat een teug adem niet genoeg is om het weg te krijgen. Op
mijn teller slentert 31 minuten voorbij. Had Esther niet 32 nog wat gereden.
Had Wouter Haan niet iets in de 31 gereden. Hoeveel minuten voor de start had
ik ‘m aangezet? Nee, het ziet er niet goed uit, en daarnaast moet ik nóg een
rondje van 23 kilometer!
Misschien
moet ik er maar mee stoppen, kennelijk ben ik niet fit, of ben ik gewoon niet
goed genoeg, maar dit is werkelijk waardeloos.


Ik heb
dit soort denkbeelden vaak tijdens een tijdrit en meestal rijd ik dan goed. Ik
zit dan aan mijn grens, en uiteraard probeert het lichaam duidelijk te maken
dat het nu wel welletjes is geweest. Als ik er aan toe geef, zak ik in elkaar
en rijd ik uiteindelijk een slechte uitslag, kan ik doorzetten dan is het
resultaat heel goed. Maar nu, met nog 23 km voor te boeg, is het moeilijk
mezelf te overtuigen.
Warchild
schiet door mijn hoofd. Verdomd, ik moet wel door: ik moet een uitslag rijden
wil ik de sponsering kunnen innen. En eigenlijk is een plek buiten de top30 een
resultaat waar ik niet mee thuis komen, ik moet die 4000 euro zien te halen.
Kortom, ik moet nog een half uur door. Ik zal deze pijn domweg nog een half uur
moeten dragen. Ik dender Oudenbosch weer uit op de bakstenen. De pedaalslag
lijkt minder snel als in het eerste rondje maar ik wil er niet aan dat ik aan
het instorten ben. Zolang die hartslag niet ineenzakt zal ik doorgaan.
Op het
stuk voor de wind komt Jos van Emden (Rabobank CT) me voorbij zetten. Ik kan er
niet mee zitten. Ik had me niet zo voorgesteld, maar ach, als het niet gaat,
dan gaat het niet. Zorgwekkender vind ik dat ik Josbert niet kan ontwaren. Maar
scherp zie ik al lang niet meer.
Ik
probeer de souplesse terug te krijgen door tijdelijk lichter te schakelen en
als het enigszins goed aanvoelt, weer zwaarder te schakelen. Veel minder
confortabel, maar het brengt de snelheid terug. De benen lijken te schreeuwen.
Hoewel, eigenlijk doen ze het tegenovergestelde: de macht lijkt er niet te
zijn. Ik dwing ze rond te laten gaan, maar de klappen lijken amper meer raak.
Ik ben op, maar op een of andere manier kan ik mezelf dwingen om die hartslag
hoog te houden. Iets na Oud Gastel komt Servais Knaven me voorbij en dat doet
echt pijn. Hij is 6 minuten na mij gestart en had niet verwacht dat ik zoveel
zou verliezen. ‘Dan moet hij podium rijden’, denk ik nog. Even kan ik een
positieve draai geven aan de teleurstelling: je moet harder, dit is je kans om
achter Knaven te rijden! Even zet ik aan, maar Knaven rijdt zoveel harder dan
ik nog kan, dat ik die gedachte snel moet loslaten. De snelheid gaat nu met
rappe schreden achteruit. De hartslag zakt nu echt richting de 175 en ik kan
alleen nog maar denken aan het bordje 5km. In godsnaam, laat dat bord snel
komen, laat die finale beginnen.
Als ik
het voorbij rijd gebeurt er niets: ik kan me niet tot een versnelling zetten,
domweg omdat die er niet meer is. Het is op jongens, party is over, the fat lady already
sang. Ik voel
slecht, schaam me dat ik niet eens meer in staat ben om er een versnelling uit
te persen.
Als de
‘4’ voorbij komt doe ik het toch. Een versnelling is het niet, maar de
pedaalslag gaat wel omhoog. Naar de kasseien, naar de finish, het moet zo snel
mogelijk over zijn. Bij het bordje 2 gooi ik alles eruit en komt de 180 weer op
het scherm. Ik ga staan, en voel mijn benen. Ze voelen als na een krachttraining
van 30 herhalingen met 110kg op de bank. Het verschil is dat ik dan mag
stoppen, en nu nog 1,5km moet. De ene na de andere vluchtheuvel komt voorbij en
in de verte is de laatste haakse bocht met vluchtheuvel, In godsnaam, niet daar
onderuit. Ik kom omhoog, neem een teug adem, stuur naar links en het laatste
stuk valsplat doemt op. De hartslag jakkert naar 182 en weet niet meer hoe ik
over de finish moet komen. Naar rechts, naar rechts. Er zit nauwelijks nog
snelheid in. Dit is een Gaul-reklame onwaardig. Op 10 meter voor de meet komt
Tom Veelers (Skill-Shimano) me nog voorbij.
Ik
druk mijn wiel over de finish en nog geen 5 seconden later doet werkelijk alles
pijn. Mijn onderug explodeert, de borstkast wil eigenlijk niet meer open en het
hoofd kan nauwelijks nog vooruit kijken. Ik kan slechts voorkomen dat ik niet
van de fiets donder door mijn ellebogen op het stuur te leggen, omdat de
schouders niet meer willen. Het liefst had ik me tegen de stoeprand gecrashed,
dan zou ik uit deze benarde positite bevrijd zijn. Ik sla een zijweg in en kom
langszaam tot stilstand. Ik buig het hoofd, en zak ineen. Mijn helm raakt het
stuur. Ik voel een hand op mijn rug en als ik opkijk zie ik Jabik en
Sebastiaan. Sebastiaan rijkt me een fles drank. Ik kan niets uit brengen, kan
slechts het hoofd schudden. Ik kan ze niet aankijken, ik schaam me voor deze
wanvertoning, dit was niet waartoe ik in staat was. Ik durf er niet aan te
denken dat ik ook nog eens uit de top30 ben geduikeld. Wat in godsnaam is er
gebeurt?




“Ik kon
echt niet harder”, verontschuldig ik me bij Jabik. Hij kijkt me aan maar ik ben
niet in staat om te achterhalen wat hij denkt. Ik voel een schouderklop, “je
hebt het gehaald, je was er bij man, daar ging het om.” Dat is ook zo, ik heb
gewoon het NK gehaald in het eerste jaar dat ik elite ben geworden. En ik kan
slechts hopen dat dit voldoende was voor een top30 klassering. Maar ik voel me
ellendig. Er is totaal geen euforie omdat ik weet dat ik op een of andere
manier allerbelabberts heb gereden. Ik zoek me suf naar een verklaring, maar
ben niet in staat om verder te denken dan de vraag. Waarom was dit het maximum?
Ik ben
er bij geweest. Het is de Olympische gedachte. Ik walg er van. Ik wil en ik kan
meer. En ik had de vorm, hoe anders is het te verklaren dat ik opeens in staat
ben om een uur lang ver, heel ver boven anaerobe grens te rijden. En tot
gisteren had ik de zin om het te laten zien. Maar op het moment suprême geeft
mijn lichaam niet thuis. Het blokkeert volledig. Ik voel me een fietsende Goran
Ivanisevic: talent te over, alleen slechts heel af en toe kreeg hij zijn hoofd
daar waar het moest zijn. Opeens begrijp ik quotes als ‘in de trainingen gaat
het fantastisch, maar in de wedstrijd wil het er nog niet zo uit komen’. Opeens
zie ik het leed dat achter een wanprestatie van een toptalent schuilt.
Waarschijnlijk wil hij of zij zo graag maar de druk om het daadwerkelijk te
laten zien blokkeert de prestatie volledig. En had me nog zo voorgenomen om me
vooral geen druk op te leggen. Maar kennelijk heeft het lichaam door dat er
iets gaat gebeuren, iets waarbij het door de wil zo ver over rand zal worden
geduwd dat het signalen af gaat geven dat dat toch echt niet de bedoeling mag
zijn. Het kan toch geen toeval zijn dat dat me nu 2 keer overkomen is, beide
keren bij een NK?
Maar
een herkansing is er nu niet meer. Dit was het, dit was mijn NK, dit was mijn
race met de profs, mijn moment met Boom, Postuma, de Kort en Knaven. Als ik de
officieuze uitslag zie is het laatste schrijntje zelfrespect van tafel: Lars
Boom rijd me op meer dan 7 minuten, over 46 kilometer en ik word 23ste.
Er is niets meer dat me gelukkig stemt. En tegelijkertijd baal ik ervan dat het
me zo aangrijpt, want ik zou het ook kunnen benaderen als een ongelofelijke
prestatie, 757 dagen na mijn eerste sportwedstrijd uit mijn leven.
Tegen
de mensen om me heen zet ik echter een ander masker op. ‘Ach, het was niet
goed, maar ik was hier nu eenmaal gekomen om het mee te maken en om geld in te
zamelen voor Warchild. Dat is meer dan gelukt, en daarmee is het goed.’ Ik
feliciteer Josbert, hij heeft goed gereden, en is zelf ook zeer tevreden met
zijn klassering (19de). Ook Esther heeft ongelofelijk huisgehouden
en wordt 8ste. Iets waar ze op gehoopt had, en waardoor ze gisteren
flink in de stress zat. Ik probeerde het uit haar hoofd te praten door te
zeggen dat ze er vooral van moest genieten, maar kennelijk was een 8ste
plek gewoon mogelijk. Ondertussen komt mij ter ore dat Léon Nederlands kampioen
is geworden bij de Amateurs-A, Steven Nederlands kampioen bij de Masters en
Suzanne Nederlands kampioen bij de Dames B. Ik word er een beetje moedeloos
van, maar zet me er over heen.
Klik hier voor de uitslag

De
week na het NK draai ik in de avonduren mijn trainingen af: de gezondheid is
weer normaal, de hartslag is weer normaal en de snelheden zijn even hoog als
voor het weekend. Pas nu komt de klap: heb ik het hier dan voor gedaan? Heb ik
hier alles voor opzij gezet? Ik geef me over aan eindeloze hoeveelheden
chocola, sultana’s en gesuikerde mueslirepen (de laatste 2 zijn gratis in het
Shell kantoor: food for thought...). De week hierna volgt er nog een week
veldwerk in Spanje, waar ik helemaal niet zal kunnen trainen dus las ik op
zaterdag een lange training in. Vanuit Rijswijk ram ik in een kleine 5 uur via
Delft, Zoetermeer en Gouda in D2 richting naar Utrecht en terug (165km). Ik
krijg de negatieve gedachten niet uit het hoofd en verlies me in eindeloze
zelfmedelij. Op de terugweg dreunt Machine Head en Sepeltura in mijn oren. Ik
probeer de 40km/u vast te houden in de tegenwind, wat me lukt maar het kost me
al mijn motivatie.
Pas
als ik aan de rechterkant 3 ouderwetse windmolens ontwaar overtuig ik mezelf
dat de knop echt om moet. Dit beeld is te tekenend om in de wind te slaan. Een
neerslachtige wielrenner die na zijn topdag de wereld wil laten zien dat hij
wel hard kan fietsen en nu geconfronteerd wordt met 3 windmolens, rijdend a
40km/u tegen de wind met niemand om zich heen: Don Quijote kan er een puntje
aan zuigen, en daarmee is het wel genoeg. Ik moet uit dit wak. Een week Spanje
een week later deed goed, de Sangria ook. Maar het laatste zetje geeft Marinus,
trainer van Cyclesport Groningen als hij me tijdens een training wil gebruiken
om de ideale lijn te laten zien in bochten. Ik, die 3 jaar geleden met geen
mogelijkheid door een bocht kwam, mocht nu de ideale lijn uitbeelden. Op dat
moment zegt het me alles. Gun jezelf tijd, en je komt er vanzelf. Wat wil je nu
nog meer?
Op
naar het NCK, genieten van de laatste wedstrijd en dan op naar een nieuwe
start: Perth, Australia.