Op vakantie in een aquarium

Een verslag van de Dolomieten marathon, 23-29 Juni, Corvara (Italië)

 

De wereld ligt op een kluitje, tweehonderdvijftig miljoen jaar geleden. Alle landmassa die er maar boven zee te krijgen is, is met elkaar verstrengeld. Je kunt van Alaska naar de Zuidpool lopen, via Egypte. Of via India. Of Australie, hoe je maar je wilt. In de mantel van de aarde stuwt convectie, opgewekt door het temperatuurverschil tussen de kern en het oppervlak van de aarde, gloeiende gesmolten lava naar het oppervlak. Op zo’n punt spleit Pangea, het supercontinent, langzaam in tweeën. De oceaan die zich ertussen vormt is de Thetys oceaan.

Tweehonder miljoen jaar geleden, is het goed toeven aan de zuidkant van de Thetys. Op land is het warm en beginnen de reptielen aan hun wereldveroverende evolutieslag. In het ondiepe water is de temperatuur ideaal voor een bloeiend ecosysteem. Voor de duikers onder ons een waar paradijs, badderend in een groot aquarium met de prachtigste vissen en koralen. Het is bewonderingswaardig hoe de natuur zich heeft herstelt van de leegte die de Perm massa-extinctie achterliet. De Permextinctie is de grootste extinctie die de aarde heeft gekend, waarbij 95% van al het leven vernietigd werd. Het koraalrif begintn als uniform en modest ecosysteempje, maar omdat door tectonische bodemdaling de zeespiegel maar blijft stijgen, blijft het koraalrif groeien. Aan de onderkant sterft het koraal op een natuurlijke manier langzaam af omdat het zonlicht langzaam verdwijnt door het al maar stijgende zeeniveau. De dode koraal vormt kalkafzettingen en wordt op sommige plekken wel vierhonderd meter dik.

Vulkanische activiteit zorgt er uiteindelijk voor dat het koraal bedolven wordt met lava, waardoor een sterke kalklaag ontstaat. Het calciet van de kalk wordt omgezet in dolomiet, maar hoe dat in zijn werk gaat is nog steeds een mysterie. Is het de reactie van zeewater met kalk waardoor het calciet zich omzet in dolomiet? Of een reactie van het calciet van de kalk met magnesium in de evaporieten (de zoutafzettingen als resultaat van een opdrogende oceaan) door diagenese? Niemand weet precies hoe het in zijn werk gaat. Want er mag dan veel dolomiet aanwezig zijn op aarde, waar is de huidige variant? Nergens op aarde wordt dolomitisatie aangetroffen.

 

 

Supercontinent Pangea, 255 miljoen jaar geleden (255Ma) (links). Laurasie en Gondwana (195Ma) (midden). Europa en Afrika (0.018Ma) (rechts)

© C. R. Scotese

 

Koraalgroei, Rode Zee, Hurghada, Egypte (links, midden). Gedolomitiseerd koraalrif, Dolomieten, Noord-Italie (rechts)

 

De Ichthyosaur, Pillar Coral en de Endennasaurus, stammend uit het Trias, 200Ma.

 

Veertig miljoen jaar geleden, maakt Afrika weer contact met Europa. De Thetys zee is bijna verdwenen, de Middelandse zee is het laatste restant van deze eens zo grote oceaan. De straat van Gibraltar is geen 5 kilometer breedt meer, en over 25 miljoen jaar moet je toch echt je vakantiehuisje aan de Costa Brava verkocht hebben, omdat de zee die er nog was omgetoverd is in steenzout: een soort tweede Devil’s golfcourse. Geen fijne plek om in de winter bij te komen van het stressvolle bestaan dat de Westerse beschaving met zich mee brengt.

De wandel van Afrika zorgt er veertig miljoen jaar geleden voor dat de sedimenten ten noorden van het continent langzaam naar boven geduwd worden. Het lavagesteente is geen sterk gesteente en erodeert langzaam weg door regen, wind en chemische reactie met zee-  en grondwater. De kalklagen echter zijn erg sterk. De rivieren en gletsjers moeten zich eromheen krullen. Woeste stromen vormen geen gevaar voor de ooit door miljoenen vissen aanbeden massieve koraalbanken. De ijstijden en de kruiende gletsjers die Europa teisteren tot 18.000 jaar geleden zorgen voor diepe U-vormige littekens in de Alpen. Mede door deze valleien krijgen de Dolomieten een grillig karakter, ruw tot op het bot. Een perfecte setting voor de mens om zichzelf eens flink over de kling te jagen. 

Meer info over geologie in de Dolomieten, klik hier ( website: GeoExpro)

 

De Middelandse zee, Benidorm, Spanje (links). Devils’ golf course, Death Vally, Californie, Verenigde Staten (rechts)

 

CSG is neergestreken bij familia Clara, dat een hotel Lüch de Vanc’ runt, in Longiarù - Campill op 1550m hoogte. Ik maak me wat zorgen over de laatste klim, zo’n 9 kilomter. Want hoewel het hoogteverschil maar 450m is zitten er steile stukken en dat is niet waar je op zit te wachten aan het eind van een training. Dat wordt het koffiemolentje. Andere stukken zijn ellelang rechtdoor: ik verheug me al op de afdaling, dat wordt genieten. Maandag de 23ste plannen we een lange rit om te wennen aan de bergen. Ik heb me voorgenomen om deze 2 weken als vakantie te zien. Ik heb me niet voorbereid om te pieken in de cyclo’s en al maanden geen duurtrainingen gedaan. De sof van het districtskampioenschap tijdrijden is wat weggeebt, weggespoeld met een overwinning in Oudemirdum. In vorm ben ik dus wel, voor het kortere werk welliswaar, maar één berg oprammen moet goed kunnen. Een hele Maratona is van een andere orde.

Het idee dat ik niet hoef werkt bevrijdend. Vanaf meter één zit ik als een klein kind kirrend op de fiets. Te genieten van al het moois. De vergezichten, de geuren, de snelheid. De afdaling is inderdaad een genot, de snelheid dendert richting de 85km/u. Samen met Suzanne, Karin, Steven, Johan, Geurt en André doen we het ‘rondje Sella’. Esther is in het hotel gebleven: ze heeft een hekel aan bergen maar zal tijdens de Maratona een belangrijke rol spelen: le ravitaillement! Waarom het rondje Sella het rondje Sella heet weet bijna niemand. De groep bergen eromheen heeft de naam Sella groep meegekregen, met ernaast de Marmolada groep, met de hoogste top van de Dolomieten erbij, 3343m hoog. De Passo Sella is de minst aansprekende col van de 4 die er beklommen moeten worden. Hoewel, het is eigenlijk de vervelendste: de korste, de steilste, de 3de in de rij van 4, dus erna komt er nog één, nee, doe mij de Passo Pordoi maar. Tijdens de beklimming van de eerste meters van de eeste col, de Passo Campolongo rennen de herinneringen van 2007 me tegemoet. Wat een ongelofelijk spectakel was het. Ik moet in een roes gereden hebben, want ik zie me niet in staat een dergelijke tijd te evenaren. Ik probeer in D1/D2 te blijven zitten, maar het lichaam werkt niet mee, sterker ik heb alle moeite om niet in D3 te verzeilen: dag één in de bergen, een crime voor de hartslag. Geurt en Steven stuiven ervandoor. Ze zijn er al een dag langer, maar ze gaan wel erg hard naar boven. De ratio zegt dat ik mijn eigen tempo moet volgen, maar de wil zegt heel iets anders. Lichaam en geest zoeken een halfslachtig, poldermodelachtige oplossing, wat geen van beide tevreden stemt.

De ratio verliest het bij col twee, de Passo Pordoi. De 33 haarspelden vormen een prachtig doel om je in vast te bijten en domweg af te tellen. Ik vlieg erin en de enige compromis die ik doe is dat ik op de anaerobe grens blijf zitten. Steven ramt nog harder naar boven, maar ik besluit wijselijk hem te laten gaan. Ik dans naar boven, en zie in het dal de haarspelden een sliert spagetti vormen. De top ligt op 2239m en de vermoeidheid in de laatste 10 haarspelden wijd ik al dan niet terecht aan de hoogte: boven de 2000m gaat de hoeveel zuurstof in de lucht een rol spelen. Op de top blijkt een hommage aan Fausto Coppi te staan, maar ik heb het al die keren dat ik de pas beklommen heb, niet gezien. 

 

Passo Pordoi (1601m – 2239m), links. Elke haarspeld heeft een nummer, rechts.

Een hommage aan Fausto Coppi op de top van Pordoi, links. Tijd voor een pitstop, rechts.

 

De beklimming van de Sella valt me weer tegen. De rechte stukken zijn steil, 8 procent, en de beklimming ligt op dit uur pal in de zon. Door de bebossing lijkt er weinig zuurstof te zijn. De enige reden waarom ik de Sella vorig jaar overleefde, was dat ik niet onder wilde doen voor mijn klimcompaan, die uiteindelijk afstapte na 55km, ipv na 138km... De wegdek in de afdaling van de Sella is vernieuwd en dat is maar goed ook: vorig jaar gebeurde hier vrijwel al de ongelukken, tot nekletsel aan toe. De Gardena pas doe ik op de automatische piloot maar weer dreig ik mijn anaerobe zone te moeten aanspreken. Deze eerste-dag-wennen-aan-de-bergen-training dreigt te eindigen in een loodzware training, hetgeen je juist niet moet doen. Morgen wordt een herstelritje, dat is duidelijk. Na 5 uur begin ik met Steven aan de laatste beklimming richting ons hotel. Ik verondonneer mezelf nu wel in D1 te blijven zitten en houd dat maar liefst tien minuten vol: de training moet afgelopen zijn! Ik heb genoeg van deze berg. Steven en ik hijsen ons hijgend naar boven. En op het laatste stuk krijg ik nauwelijks de pedalen meer rond. Ik zit steenkapot en kan er niet overuit dat ik na vijf en een half uur nog op hartslag 175 zit. Dit is niet de bedoeling geweest. Rust is geboden. Morgen een uurtje herstellen en voor de rest op bed liggen. Het is nota bene vakantie!

 

De dagen erna houd ik meer aan een vakantieschema. Ook geholpen door een dolgedraaide achteras die me er bijna van weerhoud de Giau de beklimmen. Slechts op continu vermogen bereik ik de top, staan of versnellen is er niet bij. Het maakt wel dat ik de Giau nog nooit zo relaxed heb beklommen. Wie weet wordt het nog wat tussen mij en deze 10 kilomter lange muur à 9,3%! Ik geniet van de omgeving, de ruw en rauwheid van de Dolomieten. Ik kan niet beslissen wat ik mooier vind: deze koraalriffen levend onder ze zeespiegel, of dood en versteend in deze wanden.

In samenspraak met Steven zeg ik het vertrouwen op in mijn superlichte FRM wielen. “Die Eastons gaan toch veel harder”. Ik geloof hem op zijn woord. Na een pitstop blijkt mijn achteras het echt begeven te hebben, en ik moet de Falzarego/Valparola laten voor wat het is. In Pocol wacht ik tot André me komt halen met de auto. De hitte is nauwelijks uit te houden in deze vallei. Fietsend heb je er weinig last van, maar eenmaal tot stilstand gekomen grijpt de hitte ja naar de keel.

De dag erop beklim ik met Steven de Passo Erbe, vlak bij ons hotel, met de top op 2003m. Het is de beklimming die je ook met Maria Canins kunt beklimmen een paar dagen voor de Maratona. Maria Canins vocht begin eind jaren ’80 ettelijke Tour de France oorlogen uit met Jeannie Longo, voordat Leontien van Moorsel het toneel besteeg. Meestal werden deze uitputtingsslagen beslecht door Longo, met de bergtrui voor Canins als troostprijs. Maar deze regio is maar wat trots op deze locale heldin. Het is een lelijk ding de Passo Erbe maar, me houdend aan mijn trainingsopdracht, een ideale trainingspartner.

 

Hotel Lüch de Vanc’ (links). De nodige rijwielherstelwerkzaamheden (rechts).

Tot rust komen in deze omgeving kost weinig moeite.

 

De avond voor de Maratona spreken we alles nog eens door. Esther zal onze revitaillering verzorgen op de top van de Campolongo, en ik zal haar daar afzetten, met de aanname dat we er kunnen komen. Dat blijkt een gevaarlijke aanname. We komen er wel, maar het is lastig om een weg op te moeten draaien die je naar de top leidt, terwijl de tegengestelde richting 8000 wielrenners naar de start leidt. De enige manier is op zijn Italiaans jezelf maar de weg opdrukken, met de nodige handgebaren tot gevolg. De Siciliaanse autolessen blijken toch nog ergens goed voor. Esther is zenuwachtig. Ze zal de laatste kilometers alleen in mijn auto moeten afleggen, en een benzinemotor is nu eenmaal geen dieselmotor.

Ik heb de luxe om in het westrijdvak te mogen starten, wel achterin, want ravitailleringsgate heeft de nodige tijd gekost.. Nu ik er eenmaal sta vind ik het jammer dat ik me niet meer toegelegd heb op deze cyclo. Maar het is een keuze geweest, die me geen windeieren heeft gelegd. De smaak van een overwinning is zoeter dan 20 plaatsen hoger kunnen eindigen in een cyclo.Wie weet blijkt het in de toekomst wel mogelijk om het te combineren.

Na het startschot lijkt het lang te duren voordat ik over de streep waggel. Ik kan met er niet van weerhouden om zo goed en kwaad als het kan een achtervolgingstijdrit te beginnen. Ik wil met de kop de Campalongo over, maar dan zal ik wel wat tijd goed moeten maken. Het lijkt hard te gaan, maar de zwerm ‘langzame wedstrijdrijders’, met alle respect, is groot. Je hebt nu eenmaal in alle categorien toppers zitten, en die mogen ook voorin starten. Dus ook 60-jarigen, ook voor hen  is de Maratona een leuk dagje uit. En het moet gezegd op tempo een peleton willen passeren met 138km en 4100 hoogtemeters voor de boeg is nu niet echt bezigheid waar ik reikhalzend naar uit kijk. Halverwege de Campolongo lijken de eerste groepen zich al gevormd te hebben en ik zit bij lange na niet in de voorste. Ik spring van groepje naar groepje, maar ben me ervan bewust dat ik niet te hard van stapel moet lopen. De kop heeft echt al een voorsprong: 11 minuten: dat had ik in mijn beste vorm niet bijgehouden. De wil om dood te gaan ontbreekt me ook, ik wil vooral genieten. Genieten van mijn laatste Maratona... ben ik klaar voor het toerderschap?

Ook het gevoel op de Pordoi is anders dan ik me had voorgesteld. Ik worstel, en kijk liever naar de sliert renners beneden me die zich als spaghetti langs de spaghetti haarspelden wurmt. De snelheid van de sliert ligt hoog, maar vrijwel niemand in de sliert kan veel harder rijden dan de sliert zelf. Behalve Steven bedenk ik me, hoe zal hij zich langs de meute wringen? Hij zal de massa aan de kant willen drukken. Met al de energie die ermee verloren gaat, blijft er nog voldoende over om toch nog krankzinnig hard naar boven te stampen, op zijn koffiemolentje.

Ik merk dat ik veel meer plezier heb in riskante afdalingen dan proberen een berg zo efficient mogelijk te beklimmen. Ik probeer in de afdalingen de lijnen zo scherp mogelijk aan te snijden en verplaats me in een F1-coureur die achter zijn Playstation zijn race voorbereidt. Zo aerodynamisch mogelijk zitten, zo min mogelijk remmen, de hartslag zo laag mogelijk brengen, zo veel mogelijk uitrusten. Maar geconcentreerd blijven – één stuurfout en ik kan mijn laatste schouderband aan Maarten geven. Ondanks de haarspelden zie ik de snelheid boven de 60 schieten, en op het lange rechte stuk pieken op 72. Het rechte stuk betekent wel het einde van pret: de beklimming van de Sella staat op het punt van beginnen. Nog een keer die verdomde Sella. Sinds de wielrenner Sella is betrapt op epo is het laatste restje schoonheid die de naam in zich had, verwelkt. De manier waarop Emmanuele de bergen aanviel was adembenemend, ook voor hemzelf. Maar nadat hij twee bergetappes met idiote lange solo’s winnend had afgesloten, ook nog 2de werd in de daaropvolgende tijdrit, verwelkte zijn bloem. Wat hij deed kon domweg niet. Niet nu ik zelf zie hoe het er aan toe gaat, niet nu ik steeds meer kijk kreeg op wat een wielrenner moet doorstaan om zijn sport te bedrijven. Hetzelfde wantrouwen komt boven bij de prestatie van Schumacher in de eerste tijdrit van de Tour, bij Kohl’s manier van klimmen, bij de sprints van Riccó en de overwinningen van Cavendish. De laatste blijft vooralsnog een bloem in bloei.

 

Als een spook zonder blik glijd ik langs

 

Sella, nee, het begin van de klim laat niets te wensen over: met moeite kom ik richting D3. De snelheid blijft iets langer hangen, om dan verzuchtten op 12-13km/u. Het humeur slaat om en met grote tegenzin klauter ik naar boven. Pas op de top prent ik mezelf in dat ik dit voor het plezier doe, en duik vol overgave naar beneden. Genieten zul je, tot het eind! Met 75 vlieg ik de Gardena gletsjervallei in. Halverwege de beklimming van de Gardena krijg ik de motivatie terug, de wil om pijn te lijden. Zinsneden als ‘nu we er toch zijn’, ‘je moet er wel het beste van maken’ zorgen ervoor dat ik mijn lotgenoten van me afschud en naar de top stamp. In de afdaling komt in de bocht met de asfalthobbel mijn achterwiel van de grond en even ben ik uit het evenwicht. Ik rijd op de limiet, dat is duidelijk. Onderaan, in Corvara heb ik aansluiting gekregen bij een klein groepje, maar begin te beseffen dat dit groepje te klein is om het ‘vlakke stuk’ na de Campolongo goed te overleven. Hoog boven me zie ik een grotere groep afdalen. Het heeft er alle schijn van dat ik die moet opwachten na de afdaling van de Campolongo om krachten te sparen. Op de top krijg ik bidons aangereikt van Esther. Het is fijn om een gezicht te zien langs de kant tussen alle mensen die je net zo hard aanmoedigen. De bidonwissel gaat goed, en drinkend en etend daal ik af. Onderaan komt de groep achterop en warempel, het blijkt de groep te zijn met de eerste twee vrouwen, nota bene dezelfde als vorig jaar. Zelfs de helpers van vorig jaar zijn dezelfde. Dat wordt dus flink rouleren. Het klikt en de groep dendert in hoog tempo richting Santa Lucia. Ik reken, en merk dat ik nauwelijks sneller ben dan vorig jaar. Ik krijg steeds meer bewondering voor mijn prestatie van 2007, want toen moest ik 3000 mensen aan de kant duwen voordat ik kon fietsen, nu stond ik bij de start bijna vooraan. En toen had ik nog zin in de Giau, nu weet ik dat ik daar ga duizend doden ga sterven.

Ik probeer de pedaalslag hoog te houden tijdens de beklimming van de Santa Lucia, misschien werk ik het zuur er enigszins uit. Alle beetjes zullen helpen tijdens de 29 haarspelden van de Giau. Maar al bij het eerste rechte, steilste stuk van de Giau rijdt iedereen van me weg. Ik ben simpelweg te zwaar voor dit soort stijgingspercentages, zeker met 10 kilometer voor de boeg. Op de Redoute zou ik ze allemaal aan gort rijden, hier word ik genadeloos afgerekend met de wetten van de natuur. Mijn wattage per kilo is niet hoog genoeg, vorig jaar was ik 6 kilo lichter. Ik zie mijn teller maar al te vaak een één en een nul aangeven en het kost me alle moeite om er een elf van te maken. Zo constant mogelijk probeer ik naar boven de klauteren, en denk aan het plezier dat ik had, toen ik me gedwongen door een dolle body in één tempo naar boven moest zeulen. Maar het plezier blijft als een heliumballon boven mijn hoofd zweven. Echt indikken wil het niet.

Aan de zijkant ontwaar ik 2 in paterkledij geklede ravitailleurs. Even maakt mijn kwelling plaats voor medelijden: wat moeten zij het zwaar hebben in deze hitte! Ik steek mijn duim omhoog, maar tekst kan ik er niet bijverzinnen. Mijn zonnebril staart in het oneindige. Als een spook zonder blik glijd ik langs hen heen, met hun bidons gevuld met heerlijk koel water. 

Als ik de 2de galleria ben gepasseerd komt langzaam de wind terug. Heel even sluit ik mijn ogen. Godzijdank, wind, even een verfrissende hap lucht. Bij de volgende haarspeld is het ook weer verdwenen, met de wind in de rug. De zon priemt zich door mijn shirt en zet me weer af voor de poorten van het vagevuur. Maar na drie kwartier klimmen lijkt er een einde te komen aan deze welhaast eeuwig durende klim. Hier verloor ik vorig jaar mijn plek bij de eerste veertig, hier verlies ik mijn hoop op een snellere tijd. Na 53 minuten ben ik boven, vier minuten trager dan vorig jaar en rijd langs de ravitaillering. Mijn concentratie is niet meer 100% en ik weet maar al te goed wat dat in een afdaling kan betekenen. Ik sla veel drank in, en drink de eerste halve liter direct op. Nee, Giau, je bent alleen mooi om naar te kijken.

 

Passo Giau, nee vrienden zullen we nooit worden. Je bent alleen mooi om naar te kijken.

 

De Falzarego voelt minder zwaar dan vorig jaar, maar ik maak nauwelijks tempo. Ik moet lijdzaam toe zien hoe anderen me passeren. Ik kan me er niet toe zetten om in het wiel te gaan zitten. “Ik ben tenslotte op vakantie”. Het heeft veel weg van een quote van Little Britain “I’m the only gay in the village”, terwijl het voor iedereen duidelijk is dat er anderen zijn. Ik wil gewoon niet toegeven dat ik in mindere cyclo-vorm verkeer dan vorig jaar.

 

Bij de beklimming van de Valparola dreunen de kreunen die ik vorig jaar fulmineerde na. Bijna buiten zinnen ging ik toen over de top, mezelf kapot gereden, aagewakkerd door een Italiaanse derailleur-heiger. Nu voel ik me ook kapot, maar een bis-nummer lijkt er niet meer in te zitten. Maar als ik me de de afdaling laat inglijden merk ik dat ik me redelijk uitgerust voel. Na een frisse teug lucht betrap ik me erop dat ik nog één keer de afdaling wil aanvallen. Het is tenslotte wel je laatste, Dim. Ik schakel zwaarder en demareer bergafwaarts. De teller vliegt naar de 80, en laat iedereen staan. Renners die me in de beklimming zijn gepasseerd, eet ik stuk voor stuk op. Bochten snijd ik af, rotondes neem ik links om. In de laatste 3 kilomter kom ik even op adem, en iedereen in mijn wiel doet mee. Het tempo stokt. Binnensmonds deklasseer ik iedereen tot voetvolk, terwijl ik hier waarschijnlijk de enige ben die ondermaats presteer. Ik neem de kop over, schakel naar het grote blad, en trek het tempo omhoog. Dat doet pijn. “Dat deed ik hier vorig jaar toch ook?” Achter me kraakt het. Op 1500m voor de finish houd ik mijn benen stil. Eén demareert en iedereen zit me aan te kijken. Als het besef is doorgedrongen dat ik hem niet ga halen, vliegen ze één voor één over me heen. Ik pik aan, en op 800m ga ik alleen aan. Hier en daar laat ik renners van de de 108km cyclo staan. Het snelheidsverschil is eigenlijk best gevaarlijk, met zo’n op hol geslagen peletonnetje, sprintend voor plek 100... Ik bol alleen over de finish. Dat was een leuk slot, van een zware training van 5h24’...  

Als de tijden van de rest binnendruppelen blijkt Steven 1 seconde sneller. Hoe is het mogelijk! Maar met de hoeveelheid mensen die hij heeft moeten passeren heeft hij zeker op de Giau zo veel harder gefietst. En dat zonder duurtraining, werkelijk.

 

Klik hier voor de uitslag van de eerste 500.

 

Start video

Passo Gardena video

Passo Gardena video (close up)

Passo Giau video

Passo Falzarego video

Finish video

 

 

Voor volksche leering ende vermaek. Het Ladin heeft zijn eigen culturele uitspattingen

5000kcal moeten er wel weer bijgegeten worden

Signore! Dicami, potete spiegare?