


Een
verslag van de A7-Lippe Lap Classic, 165km, clubklassieker 2008
Foto’s ottie, oypo, de kannibaal

“Prima,
als je nu langs komt, dan kan het dakrek er meteen op”, sms’t Jabik me. Mijn
auto zal dit weekend dienstdoen als ploegleiders wagen. De Scorpio wordt voor
de leeuwen gegooid. Renners zullen zich er een weg langs banen, op het dak
slaan als Simon ze geen ruimte geeft, zich er tegen afzetten om even de benen
rust te kunnen geven. De nieuwe banden zullen de modderige berm moeten
trotseren. Arm ding, 13 jaar oud, 12 jaar zo zorgvuldig verzorgd en nu binnen
één dag misbruikt. Ik tracteer hem op een wasbeurt ‘de luxe’ in de wasstraat,
wetende dat ie morgen onder de modder komt te zitten. Maar een smerige
ploegleidersauto bij Soignée Gaul! kan natuurlijk niet.
Een
student heeft er zijn afstudeerproject aangewijd en het resultaat is geweldig.
De voorkant met Gaul!- en Warchildlogo zijn erg goed gelukt. Het is een
multifunctioneel dakrek geworden waar fietsen en wielen naar believe gewisseld
kunnen worden. Ik maak een testrit met Jabik’s KNWU fiets erop, slinger er op
los, en alles blijft goed op zijn plek zitten.
Ik
verwacht helemaal niets van de koers morgen. Morgen wordt een uitprobeer-dag.
Ik ga bidons halen, ga mensen uit de wind houden, ga gaatjes dichtrijden voor
anderen zolang me dat lukt, en aanvaardt de terugslag halverwege koers. Een
week zonder trainen op Sicilië, een zware krachttraining op woensdag en een
pittig wielerbaantraining op donderdag heeft me zelfs spierpijn bezorgd. Harrie
heeft flink wat moeite om de dijbenen en de kuiten los te krijgen: het zit
behoorlijk vast. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik de A7-Classic zou
rijden. Mijn klassiekerseizoen zat er op, ik ging me concentreren op mijn
tijdritten met het DK als doel, dus het lange werk was voorbij. En onbewust
viel er een last van me af. Het nieuwe, het onbekende, het nerveuse van die
klassiekers heeft me meer overvallen dan ik had verwacht en wil toegeven. Het
kost me veel concentratie om het juiste te doen, en dat 4 uur lang. De eerste
tijdrit was dan ook een feest, ik wist precies wat me te wachten stond, en wist
hoe ik me moest voorbereiden. Dat het zó hard zou gaan was wel een verrassing.
“Morgen
die ik alles: bidons halen, gaatjes dichtrijden, mensen uit de wind houden”.
“Demarreren,
de waaier opzetten, winnen”, vult Jabik aan. “Als je maar niet teleurgesteld
bent als het na 2 uur op is.”

Op de
permanence feliciteer ik Danny met zijn uitslagen in Krommenie en het DK
Noord-Holland. Hij straalt. Hij heeft een supporter meegenomen. Na de
resultaten van maandag en dinsdag (DK en Krommenie) is zijn vader meegekomen om
hem te steunen.
“Als
het vandaag niets wordt, kom ik niet meer mee”, lacht hij Danny toe.
“Zo
dat is nog eens druk opleggen. Zou bij mij niet werken”, laat ik weten. “Ik zie
wel wat het wordt”.
“Hoe
kun je nu zo de wedstrijd in gaan?”, vraagt de vader. “Niet geschoten is altijd
mis”
Ja ja,
niet geschoten is geen fazant bij het ontbijt.
De
sfeer is ontspannen, hoewel Bas geen idee heeft wat hij moet verwachten,
Josbert de regen geen prettig vooruitzicht vindt en Freek en Seppe te laat
zijn.
“Te
laat vertrokken en verkeerd gereden”, moppert Seppe. Ik heb de indruk dat Seppe
op wraak zint. Bij het DK vloog zijn ketting eraf, waardoor hij aansluiting met
de kopgroep verloor.
Freek
zit ook in de stijgende lijn. Zijn eerste klassieker, de PWZ, rijdt hij uit en
wint op Sloten. Daarnaast geeft hij, chronisch twijfelaar, ruiterlijk toe dat
hij in vorm is. Josbert is ook al in goede vorm: op woensdag rijdt hij het
parkoersrecord op het ‘rondje Peize’ (een begrip onder de tijdrijders in
Groningen) aan gort, met 47,5km/u gemiddeld. Bas heeft door een
aaneenschakeling van oorlogszuchtige virussen een trainingsachterstand
opgelopen, maar wil per se starten. Hij voelt zich goed en voor hem is het zijn
klassieker-doop, hij weet niet wat hij moet verwachten. Ik ben om vijf voor
twaalf opgetrommeld als zesde renner. Ik heb er een week Sicilie opzitten met 0
uur training omdat mijn fiets niet is aangekomen. Maar daardoor heeft het team
wel een superknecht en waterdrager.
“Als je iets wilt, moet je maar roepen”
Richard
is onze mechanieker vandaag, en samen met door de wol geverfde ploegleider
Simon, en de aan de technische staf toegevoegde vader van Danny, is het team
compleet.
In de
kantine kleurt een TFT-scherm blauw. Buienradar staat aan en heel Nederland zit
in de regen, terwijl gisterenavond het KNMI de bevolking nog toevertrouwde dat
het Noorden tot in de middag droog zou blijven. “Ideaal! De helft is nu al zijn
motivatie kwijt.”, probeer ik. Jabik fungeert op afstand nog als adviseur: het
is in de nacht droog geweest en nu regent het: kortom de wegen, en vooral
rotondes zullen glad zijn: een barretje minder in de banden aub.
Rond
11:15 ga ik toch naar buiten voor een warming. Het regent en het is koud.
Gekleed met arm- en beenstukken, en een regenjas rijd ik wat rondjes. “Je kunt
beter binnen blijven”, hoor ik om me heen. Het verbaasd me hoeveel mensen
minder moraal krijgen zo gauw het weer ‘tegen zit’. Het is juist een uitdaging
om het beste in je boven te halen, juist als het weer tegen zit; van Maastricht
naar Luxemburg fietsen bij –3ºC (2006). Of het Marmotton-parkoers verkennen bij
38ºC (2003) (dat laatste was geen uitdaging, dat was gewoon dom). Ik trek wat
sprintjes, zet mijn handtekening als een van de eersten, en het kan wat mij
betreft wel van start gaan.
Om
12:00 gaat het peleton van start voor de 165km. De neutralisatie verloopt
rustig, ondanks een ‘voorspeld’ nerveus begin. Kennelijk zijn de meesten bang voor
de regen, en houd men zich rustiger dan anders. Ook de eerste 50km wordt er
sociaal gekoerst, weinig nervositeit, gesmak en gemopper, kortom alle
ingredienten voor een prettige koers. Als de koers vrij wordt gegeven, gaat het
tempo wel omhoog, maar het lijkt veel minder hard te gaan dan in de vrije
klassiekers. Freek, Danny, Josbert en Bas zitten voorin. Seppe en ik houden
zich achterin het peleton op. Ik doe het omwille van lijfsbehoud, alsof ik denk
zo de valpartijen te kunnen omzeilen. “Zoek elkaar op in de koers”. Helemaal
naar voren lijkt vooralsnog een onbegonnen karwij voor mij zo vroeg in de koers
en besluit bij Seppe te blijven. “Kan ik Seppe helpen als hier achterin een
gaatje valt”, verzin ik als excuus.




Rotondes
blijken spekglad. Renners gaan gemiddeld genomen allemaal even schuin door de
bocht, maar sommigen blijven met gemak op de fiets zitten, terwijl anderen als
scheve schaatsen zonder aanleiding omkieperen. Het regent dan ook
valpartijtjes. Bandenkeuze en bandenspanning blijken vandaag essentieel.
Danny
is direct betrokken bij een serieuze ontsnapping. “Ik trok door, keek om, en we
waren weg”, klinkt het wat ongelovig. Met een man of 7 rijdt hij weg en ze
krijgen een 30-tal seconden.
De
klassiekerdoop van Bas verloopt anders dan hij had gehoopt: hij rijdt lek. Hij
krijgt een reserve achterwiel, maar het duurt wat lang voordat hij weer op weg
is. Het blijkt lastig om in tegen de wind achter de auto terug te komen in het
peloton, wat uiteindelijk niet lukt: Bas baalt, daar hij het tempo wel heel
makkelijk kon volgen.
Ook
Seppe krijgt een lekke achterband. Het tweede reservewiel zit nog in de
reservefiets, en het duurt erg lang voordat hij verder kan. Zó lang dat de
bezemwagen al gepasseerd is en hij mag niet meer aansluiten. De sterkste
Gaul!-renner zinnend op wraak, moet de strijd staken, en dat is erg zuur.
Josbert,
Danny, Freek en ik handhaven zich prima, maar Josbert heeft de benen niet echt.
“Het gaat klote” De regen speelt hem parten, hij is niet een renner voor koud
weer. Ik sommeer hem in mijn wiel te gaan zitten als het peleton breekt en ik
ram door tot het gat bijna dicht is. Danny zit goed van voren, en Freek zit als
het breekt telkens aan de goede kant.
Ik zit
te genieten en ervaar een soortgelijk gevoel als tijdens het NCK van 2006.
Kennelijk kan ik voldoende herstellen om, als het nodig is, echt aan te zetten
om de zaak recht te zetten. En in plaats van op het lint te blijven zitten
terwijl ik weet dat ik richting het peloton moet, rijd ik nu wel naar het
peloton om daar echt uit de wind te zitten. In de Veenkoloniën en de PZW heb ik
domweg niet willen geloven dat dat nou echt zoveel zou kunnen schelen, terwijl
ik wist dat ik in het lint op de juist plek zat. Soms hoor ik vogels in de
bomen, hoor ik toeschouwers langs de weg, lees ik de valpartijen die voor me
gebeuren, zie de plaatsnamen langsschieten. “Soms zag je echt een open ruimte
voor jou fiets”, hoor ik achteraf, waaruit blijkt dat ik vaak nog niet dicht
genoeg op de voorganger zit.
Een
tijdlang rijd ik in de buurt van Sven Kramer. Hij heeft een zware tred, maar
compenseert het met een overdosis vermogen. Hij is een sociaal renner, geen
rare fratsen, en het lijkt er op dat anderen daarom ook de ongeschreven regels
in acht nemen.




Omdat
Gaul! geen verzorger bij de revitaillering heeft staan, laat ik me bij de
revitaillering afzakken om bidons te halen. Het peloton rijdt nu langzaam, dus
terugkomen is nu makkelijk. Ik zie een Friesche Leeuw een enorme smak maken.
Hij blijft beduusd op het asfalt zitten. Het lijkt alsof hij blijft haken in
een etenszak, dat de verzorger niet op tijd loslaat, maar er gaan naderhand ook
verhalen over een auto die een renner expres zou hebben aangereden door
onenigheid. Ik kan het me nauwelijks voorstellen.
Het
duurt een tijdje voordat ik Simon luid claxonerend langs de andere volgwagens
die verschijnen. De endorfine heeft zich al flink verspreidt in mijn lichaam en
ben bijna in staat om te vragen hoe het met hun gaat. Is alles naar wens, wat
vinden zij van de koers? Maar ik houd het bij een teken dat ik drinken wil.
“Hoeveel?”,
vraagt Richard.
Hoeveel,
daar had ik niet over nagedacht. Ja, zoveel mogelijk. Ik zie me er maar één in
mijn achterzak stoppen. Meer bidons aanpaken, dat is vragen om niet-geoefende
capriolen.
“Eh,
doe maar drie”, zeg ik droog. Ik heb Danny en Freek nog zien zitten, kan ik ze
beiden van drank voorzien.
Met
“ok, daar gaan we weer!”, wil afscheid nemen. Ik wil me afzetten tegen het
raamkader, maar Simon geeft gas.
“Hé!”,
kan ik uitbrengen, alsof ik benadeeld word in het spelen van mijn computerspel.
Na een paar trappen ben ik weer bij het voorraam en zet af. Voor me zie ik een
renner zich afzetten tegen de televisiemotor. ‘Cool! Dat wil ik ook, en rijd
richting motor’. Ik zet me af op de zitting van de passagier en ben in een mum
van tijd weer in het peloton, verbaasd. Alweer verbaasd. Ik blijf me maar
verbazen in deze koers. Ik rijd naar voren en reik Danny een bidon aan.
“Pleur
die andere maar weg, kan niet anders.” Freek zit iets voor Danny, maar hij hoort
me niet. Of wil me niet horen, want prompt rijdt hij zichzelf naar voren. Ik ga
er achteraan, en merk dat ik nu wel naar voren kom. ‘Sjonge, jonge, je hebt
gewoon een opdracht nodig om jezelf te overtuigen dat je je wel naar voren kunt
rijden’, bedenk ik me hoofdschuddend. Freek wil geen drinken. Hij is bang om er
eentje aan te pakken. Dat is zijn keus, het betekent namelijk dat ik vier
bidonnen zal kunnen drinken, in plaats van drie. Ondertussen ben ik goed aan
het eten. Ja, besluit ik, ik heb het goed voorelkaar.
Sven
is ook drank gaan halen voor zijn teamgenoten. Een van hen heeft het moelijk op
een stuk op de kant. Sven schakelt bij, zet zich schuinachter zijn teamgenoot
en duwt hem een ruk richting peloton. Het laat zien hoeveel vermogen deze atleet
in staat is te leveren, na zo’n 3 uur koers.

Het
peloton blijft redelijk bijeen, hoewel er aan de achterkant wel veel afwaait.
Ik heb geen idee over het koersverloop, heb geen idee waar we zijn of hoe ver
het nog is. Maar als de verzorging op 100 kilometer zit, hoeven we nog maar 60
kilometer. Ergens op een viaduct knapt de ketting van Peter Merx. Ik vraag me
af hoe dat gaat met die reserve fietsen: hoe stel je die zo snel af voor een
renner?
De
dorpjes komen en gaan, en zie ook De Veenhoop verschijnen. De Veenhoop, hebben
we daar niet 20 jaar geleden gekampeerd. De gedachten dwalen of richting
vroeger. Ik roep me tot de orde, en besluit dat ik als voltooiing van het
leerproces ook geprobeerd moet hebben om weg te komen. “Niet geschoten is
morgen geen fazant bij het ontbijt”. Ik heb nog zo’n 20 kilometer om
vooraan te komen. Ik gebruik nu de stukken in de wind om er langs te komen, en
op zo’n 15 kilometer voor de finish zit ik op de eerste rij, op het moment dat
Johan Procee richting enkele koplopers in de verte rijdt. Johan, dat is geen
pannenkoek, erachteraan, wie weet kunnen we samen bij de kopgroep komen. Ik
ram op de pedalen, maar merk na 10 trappen dat de benen niet eenzelfde frisheid
hebben als tijdens een ‘wielerbaan’versnelling. Kennelijk heb ik dat
onderbewust wel verwacht. Na een trap of 30 kijk ik om, en zie dat er wat
mensen in mijn wiel zitten. Eenvolgende neemt over, en het tempo zakt in. Hmm,
dat is de bewoording ‘nachtkaars’ nauwelijks waardig. Dit is dus wat er nodig
is om weg te komen. Of beter, er is meer nodig om weg te komen, op 15 kilometer
voor het einde, met 145km in de benen.
Ergens
tijdens dit laatste hoofdstukje wil er een NWVG-renner van links naar recht
oversteken, “mag ik er even langs, ik heb lek”, en zie mezelf hem vóórlaten.
Het voelt alsof ik heb help met oversteken. De situatie lost zichzelf op , maar
waar is dit nu weer goed voor?
“Hoe
ver is het nog?”, vraagt Freek. Ik heb geen idee. Even later flits er een
bordje 5 kilometer voorbij. Nee maar, we zijn er bijna. “Als het lukt, moet je
demareren Freek, nu kan het nog.” Ik probeer me naar voren te wurmen, maar het
is erg druk. Het is 2 plaatsen winst, 3 plaatsen verlies, en vice-versa. Op een
viadukt kom ik nog één keer op kop, maar heb niet de macht om een versnelling
te plaatsen. Het zooite ongeregeld dendert nu naar de finish en de bordjes met
de laatste honderden meters volgen elkaar in rap tempo op. Er moet nog een
bocht komen, een linke bocht is gezegd. Op 400m zwenkt het peloton naar rechts.
Ik heb het idee dat ik al een 600m aan het sprinten ben. Voor mijn ogen kwakken
aantal renners tegen een vluchtheuvel op. Ik moet vol in de ankers, en door de
buitenbocht. Ik trek mijn 53xweinig-kransjes-achter weer op gang, en eis dat ik
in ieder geval nog één renner passeer.
Danny
sprint naar een uitstekende 23ste plek en mag na afloop zijn premie
ophalen. Ik word 35ste, Freek 37ste.
Hoewel
euforie in eerste instantie overheerst bij de gefinishten, wordt de blijdschap
wat gedempt door het onfortuin van Seppe. Wellicht had hij hier meer potten
kunnen breken dan het onervaren trio. Ook het feit dat ploegen die in de vorige
2 wedstrijden weinig punten hebben behaald, hier goed scoren waardoor Gaul! een
plaats zakt in het klassement, helpt niet.
Wel denk ik mijn wedstrijdbenadering gevonden te hebben:
Niet
geschoten, is morgen geen fazant bij het ontbijt.
We
zien wel wat het wordt, het is allemaal niet zo belangrijk.
Shoot for the
moon, even if you miss you'll be among the stars.
De uitslag
vind je hier,
de competitiestand hier
