foto’s: Ottie.nl, Kiekko.nl, laatmijmaarlopen

De PWZ Zuidenveldtour, vrije klassieker over 180km

 

 

 

 

 

 

Na het trainingswedstrijdje van afgelopen donderdag op de wielerbaan was de drang om hier te starten zoals die moet zijn: ik had er zin in. Te meer omdat de koers door het gebied slingert waar het met de de olie en gas industrie in Nederland allemaal is begonnen. De start was in Nieuw-Amsterdam, een plaatsje wat ik alleen kende van de Aardrijkskunde lessen op de lagere school. Per provincie moest je een 30-tal vragen doorploeteren, en een kaart inkleuren. In die tijd zoog ik alles wat met topografie te maken had op als een spons, en wist zo op mijn 11de alle landen, hoofdsteden, inwonertallen en BNP’s uit mijn hoofd. Maar het inkleuren van Drenthe was saai. Er was helemaal niets in te kleuren. Assen was niet echt een stad, met nog geen 50.000 in 1980. Emmen was wel groter maar geen hoofdstad. Tegen de Noordgrens lag een dorp Stadskanaal geplakt, wat dan weer bij provincie Groningen hoorde. En dat er bij Coevoorden, Schoonebeek en Nieuw-Amsterdam olie werd gevonden vond ik niet interessant. En of je de hei paars wilde kleuren. Nee, Drenthe was niet mijn favoriete provincie.

Nu is dat wel anders: Drenthe herbergt eigenlijk alles wat de Randstad niet heeft: ruimte, rust en relatieveringstijd. En dan niet verpakt in een aangelegd park waar de Nederlander met een 5-daagse werkweek tot rust ‘moet’ komen op zondagmiddag, maar in hoeveelheden die je je nauwelijks meer kunt voorstellen als je 10 jaar in de Randstand hebt vertoefd. En Schoonebeek is een begrip binnen Shell: de olie die er in de grond zit gaat opnieuw ontwikkeld worden, met behulp van nieuw technieken. Onder de grond is Drenthe samen met Groningen en Friesland steenrijk, waar Nederland enorm van geprofiteerd heeft.

Als je de omgeving van Schoonebeek binnenrijdt komt de olie-industrie je tegemoet waaien, maar voor de leek nauwelijks zichtbaar. Iets ten Noorden van Schoonebeek staat de boortoren, waar de ‘jonge proffesionals’ ervaring opdoen wat het nu – fysiek – betekent om op zo’n boorlocatie te werken. Wat gebeurt er als in het hoofdkantoor er beslissingen genomen worden, door de ‘jonge proffesionals’? Het uitzicht is prachtig, zo’n 15 meter boven de grond.

“Mooi he? Elke dag konden we hier genieten. Maar ja, wel huwelijk naar de klote”, aldus een werknemer die nu trainingen geeft, maar vroeger het fysieke werk deed, weken op (12 uur per dag), gevolgd door wat weken af. Je kunt eindeloos ver kijken en stemt ontegenzeggelijk tot nadenken. Alle rijkdom zit onder de grond, óp de grond is er nauwelijks bedrijvigheid, en dus weinig werkgelegenheid. Mensen hadden en hebben het hier niet breed. Ze waren maar wat blij toen er olie gevonden werd in 1943, het grootste olieveld van het vasteland van West-Europa. Het zorgde voor veel werkgelegenheid en de NAM die de exploitatie voor haar rekening nam, wordt een goede buur. Zelfs als het in 1976 op locatie S-457 mis gaat (Spuiter van Schoonebeek (1976) , http://www.youtube.com/watch?v=R2USk4sKSP8) en Schoonebeek bedekt wordt onder een laagje olie en zand, blijven de bewoners wonderbaarlijk rustig. De NAM ruimt alles op, maakt huizen, gevels, grafzerken, gewassen en wegen schoon.

Eerder al, in 1965, gaat het mis tijdens het boren van een put. Bij ’t Haantje verdwijnt een boortoren volledig in de bodem, er ontstaat een krater van zo’n 200m diameter en spuit maandenlang modder de lucht in. De krater is gedempt met zand, waardoor nu een meertje is ontstaan, naast de gedempte krater. De gebeurtenis is beschreven in ‘Ararat’ van Frank Westerman. De locatie staat nu bij weinigen bekend als het kraterbosje en is zelfs verkeerd aangegeven in ‘de Knapzakroute van ‘t Haantje’, alsof dit voorval zo min mogelijk bekendheid mag genieten (met dank aan http://wandelweblogtiny.web-log.nl/laatmijmaarlopen/2007/04/index.html)

 

 

Link naar kaart

 

 


 

 

In 1996 stopt de NAM met de exploitatie in Schoonebeek. Door de lage olieprijs wordt de winning niet meer rendabel geacht. Er wordt gekozen voor bestudering van nieuwe technieken, in plaats van winning met behulp van ‘ja-knikkers’. De Duitsers die ook een deel van het veld onder hun landgrenzen hebben zitten, gaan er wel mee door. Het is de reden waarom er direct over de grens er nog steeds ‘ja-knikkers’ staan. In Twist is een geweldig museum over de oliewinning in de regio (Erdöl-erdgas museum Twist), te meer omdat het in zo’n klein dorpje ligt. Kneuterigheid  troef in de meest positieve zin des woords.

Kortom, er is mij veel aangelegen om hier een uitslag te rijden. International koers, wat heuveltjes naar het schijnt, link met mijn werk: hier ga ik knallen. De zenuwen zijn er ook niet, ik heb er gewoon zin in.

De voorbereiding verloopt van ‘goed’ (met op tijd er zijn), via ‘in mineur’ (na een onverwachte regenbui, maar daar zou het bij blijven) tot ‘dramatisch’ (door 2x een klapband van een latex binnenband, een kwartier voor de start). Van inrijden is geen sprake, en sta dus koud en verkeerd opgefokt aan de start. Freek wijst me fijntjes op het feit dat mijn een rem blok aanloopt op mijn achtervelg. Ik steek het wiel iets anders, maar verdoezeld niet het feit dat de afstelling niet optimaal is: ik heb geen mechanieker meer kunnen vinden die er even naar kon kijken.

Het zou een spaarkoers worden: het peleton blijft lang bijelkaar, en pas als we weer in Nederland zijn spat de koers uiteen. Kortom: sparen, sparen, sparen is het devies. Ik ruik kansen om ‘m te rijden: als het peleton bijelkaar blijft, dan is de kans groot dat de marge tussen kop en staart klein blijft, en iedereen in koers blijft. Wel levert het een nerveuse koers op: het is nu eenmaal overzichtelijker als er nog maar veertig renners in koers zijn versrpreidt over 4 waaiertjes in plaats van 150 in één peleton. De neutralisatie verloopt zoals alle andere dit jaar: ik bevind me na ¾ achterin het peleton. In tegenstelling tot de andere keren kan het me nu weinig schelen, nu het peleton waarschijnlijk bijelkaar blijft. Na de eerste nerveuse schermutselingen, de geur van verbrand rubber, scheld- en bijna-valpartijen zakt na de eerste kasseienstrook in Duitsland de snelheid: we rijden nog geen 40 en ik waan me voor het eerst in een wandeletappe. Een term die tijdens de Tour de France nog wel eens gebezigd wordt. De hartslag zakt tot 125 en geniet. Ik kan zowaar opnemen dat de zon schijnt en verstaanbare woorden wisselen met Jabik.

“Als het op de kant komt gaan we naar voren, ik word hier strontchagerijnig van”, snauwt Jabik. De opdracht komt duidelijk over, en weet wat me te doen staat. Maar het stuk op de kant is niet lang genoeg, en ben nog niet eens bij het dikkere peleton aanbelandt als het voorbij is. Het is voor mij de conclusie dat dit weinig zin heeft: sparen is het devies, dus onderneem ik niets. Niet Gaul!-like, maar nu is niet het moment om op te vallen.

Uiteraard onverwacht doemen de eerste heuveltjes op. Van een hellingshoek is niet echt sprake (als het 4% is, is het veell) maar het tempo daalt niet, en dat maakt het wel de eerste scherprechter. Menno vindt de Grote Moter Versnelling niet en merkt, nu het omhoog gaat, hij de één van de weinige is die langzamer gaat. Hij zit uiteraard wel in het peleton, zodat ik hem achterop kom. Ik duw hem een meter of 20, in de hoop dat hij het ritme te pakken krijgt, maar het mag niet baten. Hier telt toch ‘eigen benen eerst’. Ik eet renners op, en bovenaan zit ik in het peleton. Eitje.

Na de afdaling zakt het tempo weer, en met een kleine 2 uur op de klok lijkt mij dit hét moment om drank te halen. Ik steek mijn bidon omhoog, en hoop dat over de koersradio duidelijk wordt dat ik verzorging wil, zoals dat kennelijk normaal is. Ik laat me afzakken, wat onwennig, want je verliest doelbewust echt contact met het peleton. Alsof je je adem inhoudt, onderwater verdwijnt met lood om je middel. De enige manier om terug te komen is extra veel energie leveren. Als er een paar auto’s gepasseerd zijn, komt de volgwagen van de peddelaars voorbij. Nee maar, het werkt! Ik lever mijn bidons in en krijg er twee voor terug. Ik wil er nog een om door te geven aan iemand anders, maar de auto duwt me zo ver naar rechts dat ik bijna de berm in vlieg. Met trillende armen en een schuddend stuur blijf ik op de weg, maar wil hier wel weg. Sorry jongens.

Met een korte sprint duik ik weer tussen de renners. Kennelijk lag het tempo laag en heb het perfecte moment uitgekozen. De heuveltjes die volgen lopen makkelijk, en ik gebruik de valsplatte afdalingen om bijna spelenderwijs tegen de 70 á la Cancellara met de handen bovenop de remgrepen op de 11 naar voren te denderen. Toch voel ik dat ik dit niet te vaak moet doen: door op de vlakke stukken zo ver naar achteren te zakken, moet ik elke keer terrein goed maken, en dat kan niet goed blijven gaan.

 

 

 

Op de smalle delen van het parkoers is het dringen: waar tijdens de neutralisatie de trottoirs en fietspaden worden gekozen, wordt nu de berm gekozen. Ik weiger, hoewel het maar eens te meer laat zien wat er ontbreekt: lef. Het lef, uiteraard gestuut door ervaring om je ertussen te kwakken. Ik ben de verpersoonlijking van het faire fietsen. Naast Suske en Wiske en nieuwe fietsen nu ook Suske en Wiske en het faire fietsen.

Opvallend is wel dat ik continu bij het rugnummer 136 rijdt. Het is een Duitser met een zichtbaar buikje. Het frusteert me: ik ben toch wel beter dan een Duitser met een buik? Maar elke keer als ik weer naar voren rijdt, komt hij toch weer langszij zetten als ik weer afzak. Ik moet mijn ongenoegen kwijt bij Seppe. “Kom, we gaan naar voren, volg mij maar.” O, nou dat moet dan maar. Maar ik raak Seppe toch weer kwijt, hij is veel handiger in het gaatjes vullen.

Het volgende moment krijg ik een enorme por in m’n zij. Of eigenlijk is het een schouwerduw. Ik wijk naar rechts en gooi een krachtterm de lucht in.

“Sorry, sorry Dimitri,” Freek komt langsstuiven. “Ik had lek.”

Kennelijk heeft hij haast om naar voren te komen. Ik probeer met hem mee te gaan, wie weet blijf ik eindelijk eens hangen in het peleton. Maar de wegen blijven small, en het peleton is lang, zeer lang gerekt. De snelheid gaat weer richting de 65, en kennelijk rijden we naar beneden.

 

Op de site van de Friesche Leeuw wordt de hele koers uit de doeken gedaan, maar ik kan me er niets van herinneren. Ik dacht dat het peleton tot het eind redelijk bijelkaar was gebleven, en ik moet steeds meer werk opknappen omdat renners voor me gaten laten vallen, en renners achter me het niet dicht rijden. Als de Duitser met rugnummer 136 voor de zoveelste keer niets doet en ik er toch weer achterrijd gaat langszaam het lichtje uit. Op het stuk kasseien voor Zandpol probeer ik nog een keer aan te sluiten maar de afstand wordt steeds groter. Ik geef toe aan deze nederlaag door achterom te kijken in plaats van vooruit: zijn er nog mensen waar ik bij kan aansluiten. Als ik zie dat er een man of 10 achter me rijd laat ik me zakken. Ik voel de bui hangen: ik ga deze klassieker niet uitrijden. Ik sla het woedegevoel over en zak direct in de moedeloos-stemming. Dit was niet de afloop die hier hoorde. Bij de 10 man zit bijna de gehele Friesche Leeuw ploeg, die kennelijk door ‘klote bidons’ hier rijdt, in plaats van in het peleton. We rijden nog een minuut of 10 door, maar de snit is er uit. De bezemwagen komt langszij en de koers is voorbij.

Ik rijd door naar de brug over het Stieltjeskanaal terwijl de rest rechtsomkeerd maakt naar Nieuw-Amsterdam. Ik moet even alleen zijn, de klap komt hard aan. Op de kasseien nog wel! Terrein waar ik wel uit de voeten kan. Daarnaast goed gedonken, goed gegeten, maar kennelijk niet zuinig genoeg geweest met de krachten. Maar het is me kennelijk niet gegund een 2de klassieker uit te rijden. Goed, het is een vrije klassieker, maar toch, ik had mezelf overtuigd van een permanente plek van het elite peleton. Kennelijk moet ik nog wat nachtjes slapen.

 

 

 

Seppe en Freek rijden ‘m wel uit en eindigen in het peleton. Josbert komt net te kort, maar zit er erg dicht tegenaan. Jabik heeft nog steeds veel last van zijn rug, maar een klassieker rijden op 2 bidonnetjes is wel straf: hij heeft niets kunnen halen of aannemen. We zitten onder het stof: de kasseien waren af en toe een zeer milde vorm van Paris-Roubaix van 2007: stof happen. Op de fiets is het minder erg dan het op TV lijkt, maar prettig is het allerminst.

Mijn klassieker-seizoen zit er even op. Ik ga eens wat tijdritjes rijden, en daar ga ik eens lekker van genieten. Wielrennen is nog een stap te ver, maar hardrijden kan ik wel.