
Verslag
van de Ronde van Zuid-Friesland, 160km, Heerenveen
De
ronde van Zuid-Friesland start in Heerenveen en slingert zich door St
Nicolaasga, Oudemirdum, Warns, Oudega en dan met een lus langs Luinjeberd
richting Gorredijk en komt dan weer terug naar Heerenveen. De eerste vier
dorpjes ken ik van de Snits
tijdritjes en hoop dan ook dat ik daar motivataie uit kan putten. In St
Nicolaasga (2006) heb ik voor het eerst kennis gemaakt met een koppeltijdrit en
heb ik geweten wat het is om als minst fitte van de twee 33 kilomiter te moeten
buffelen. Léon is de sadist die dag, ik de masogist en het nummer is voor
beiden zeer geslaagd. In Oudemirdum (2007) rijd ik een erg goede tijdrit en heb
zelfs over om het laatste stuk valsplat te versnellen. In Warns (2007), de
opening van het tijdritseizoen verbaas ik mezelf door een niet fitte Steven te
verslaan, en een seconde achter Germen van den Burg te eindigen. In Oudega
(2007) rijd ik met Steven een koppeltijdrit, maar schakelt de keiharde wind
Steven uit: zijn Hed-voorwiel maakt zijn iets onbestuurbaar met zijwind. In
elkaars slipstream rijden is niet mogelijk omdat dat nog meer onverwachcte
turbulentie veroorzaakt. Luijneberd ken ik alleen van een parkoersverkenning –
werk verpestte toen een deelname. De Roode Klif nabij Warns is in mijn
herinnering een hele eigen leven gaan leven na de geschiedenis van de dijk na
te pluizen, en ik zal er daar niet afgereden worden.
In het
laatste plaatsje woont familie van me. De man van mijn nichtje is fervent
toerder en zal het waarschijnlijk fantastisch vinden als hij weet dat ik in het
peleton zit dat langs zoeft. Toch laat ik het niet weten: de kans dat ik langs
kom leek me nou niet echt groot. De Ronde van Zuid-Friesland is een vrije
klassieker, hetgeen betekent dat de Continental teams er ook aan de start
staan, met de Vierhoutens, Bossen, van den Burgen, Stroetingas en Helmantels
van deze wereld. Toch ben ik er op gebrand om ‘m uit te rijden. Mentaal zit ik
weer in de lift en aan trainingen vorig weekend en op het baantje heb ik een
goed gevoel overgehouden. Het enige wat ondermaats is, is het tactisch inzicht,
en dat kan ik slechts bijschaven door veel wedstrijden te rijden. Elke serieuze
peleton-wedstrijd leer ik. Leer ik veel.

Vandaag
staat Gaul! met Folkert, Jabik, Danny, Seppe en Josbert aan de start. Folkert
is in snel groeiende vorm. Vorig weekend rijd hij bijna de Friesche
Woudenklassieker uit (ook al een vrije klassieker, met een ontketende Bobby
Traksel in de gelederen), op nota bene 2 bidonnetjes. “Ik heb die hele
verzorging niet gezien bij de retivaillering. Peleton was ook te groot.”
Jabik’s benen zijn geweldig, het hoofd ook, alleen de rug niet. Als de rug het
houdt rijdt hij iedereen in de waaier aan gort. Danny laat in Zuid-Limburg zien
dat het vermogen er is, kan lang met Bas Canoy mee, nu de wedstrijdervaring
nog. Seppe groeit langszaam maar heel zeker naar zijn niveau: In mei staat hij
er weer. Omdat de knie van Sebastiaan nog niet helemaal genezen is, rijdt
Josbert in zijn plaats. Voor Josbert is het zijn eerste klassieker, en wordt
lekker voor de leeuwen gegooid. Hij is zenuwachtig, maar door de ontwetendheid
zal de de adrenaline hem dragen, zeker het eerste uur.
En ik,
ik benader de Ronde als ‘we zien wel: een uur rammen en dan zien we wel’. Ik
moet bij mezelf tonnen druk wegenemen, ik wil te graag en rijd mezelf dan de
vernieling in. Een wat lossere benadering maar wat meer durf in de
neutralisatie. Ik moet proberen om redelijk voorin die neutralisatie uit te
komen.
“Ah,
hier is de kleedkamer van de Grote Tenoren!” Folkert stapt de kleedkamer
binnen.
“Ik
had vanmorgen zo’n zin om te koersen, staat die bek van Folkert voor me neus en
het hele gevoel was in één keer verdwenen. Wat kan die gast ongeïnspireerd
kijken”, moet Jabik kwijt.
“Dan
doe je dat gevoel toch gewoon één gedeeld door”, probeer ik.
Even
is het stil in de kleedkamer. Ratelende hersenpannen proberen de redenatie te
doorgronden.
Jabik duikt
in zijn kleutertypetje: ”als ik me niet goed voel, doe ik gewoon één gedeeld
door. Dan ben ik beter dan jij.”
“Ik
ben gewoon één beter. Ik ben jou plus één.”
Als we
de tijd hadden gehad was de kleedkamer binnen vijftien minuten verworden tot een
podium met Vliegende Panters. Voor mij is het de beste manier om de druk weg te
nemen. Wat nou resultaat, ik wil hier gewoon lekker een uur dood gaan.
De
start is bij het Abe-Lenstra stadion. Het vertaalt zich in een mooie
achtergrond, chique kleedkamers en voldoende parkeerruimte. Ik neem de tijd
voor een warming-up langer dan een half uur, maar de wil om even de anarobe
zone aan te tikken is er niet: Het waait zo hard dat het voor de wind niet
lukt, en tegen de wind niet wil. Ik blijf steken in D2. Ik weiger er conclusies
uit te trekken, hoewel uiteraard de vragen zich gezellig rond een
hersenkampvuurtje nestelen. Met Jabik, Folkert en Josbert rijd ik Heerenveen
uit en komen in een prachtige omgeving uit.
“We
gaan niet meer, we gaan lekker toeren”, oppert Folkert.
Ik kan
het bijna alleen beamen. Tussen de boomrijke omgeving met hier en daan een
boerderij valt de wind wat weg en verwarmt de zon ons.
Ik
teken de startlijst op tijd, en kies er voor om al bij de start te gaan staan.
Liever wat meer voorin bij de start, en wat langer stil staan, dan moeten
proberen om nog meer mensen te moeten passeren. Marco Bos verklaart de
interviewer dat hij goede benen heeft en dat hij de eerste 40 kilometer voor de
wind lekker kan opwarmen. Aard Vierhouten zegt dat ze het spel tegen te wind in
heel hard uit elkaar gaan trekken. Ik moet er om lachen: het idee alleen al
roept kwellingen op. Maar ik weiger er
wederom ook maar enige conclusies aan te verbinden wat dat dan betekent.
In het rood rijd ik toch wel het eerste uur, zoals iedereen.
De
neutralisatie is 8 kilometer. Het wordt dus acht kilometer duwen en trekken,
remmen en schelden bij een bijna-valpartij. Acht kilometer kijk ik gefrusteerd toe
hoe menig ander renner wél het fietspad of trottoir pakt, tegen de regels in, en
lekker toch niet uit koers genomen wordt. Mijn ratio weigert me toegang tot de
fietspaden, en trouwens, ik ken het verloop van de trottoirs niet, dus wil het
risico niet nemen. Halverwege de neutralisatie zit ik dan ook lekker achteraan.
Voor me zie ik Folkert rijden, nog verder voor Jabik. De rest zie ik niet. Bij
rotondes waaiert het peleton in twee delen. De twee helften van de twee delen
kan de rotonde over het wegdeel nemen, de andere helften gaat meer rechtdoor en
neemt het binnendeel mee. Als er te hard in vaart geminderd wordt schuift het
geheel als een harmonica in een en vliegt de een na de ander door het gras het
fietspad op en maant zich naar voren. Bij de auto van de wedstrijdleider
aangekomen, krijgt de renner een duidelijke vermaning dat hij de weg op moet.
De renner voegt zich voorin weer bij het peleton en mag gewoon doorrijden.
Na
Rottum wordt de koers vrijgegeven. Met een noodgang giert het tempo omhoog. De
hebben de wind in de rug. Het peleton is heel snel een lang lint en de gaatjes
zijn snel gemaakt. Ik moet er een paar dichtrijden en wil dan dat iemand anders
er maar eens eentje dichtrijdt. Maar dat gebeurt niet. Ik zit weer achterin en
de renners hier kunnen het domweg niet. Het is nu al: of het alleen doen, of nu
al de koers verlaten. Ik rijd Danny voorbij, hoop dat hij mee komt, en rijd
langzaam renner voor renner voorbij. Langzaam maar zeker komt een wat dikker
peleton in de buurt, maar de snelheid ligt vaak boven de 60, en dan is ‘een
peleton in de buurt’ vertekent. Plots schuift het inelkaar: valpartij. Ik zie
een NWVG’er kermend in de berm liggen, met de hand op zijn borst. Toch wordt
het weer op een lint getrokken en er komen auto’s voorbij zetten, en eenzelfde
scenario als de Friesche Woudenklassieker tekent zich af. Dit was het dan. Nog wat
navigeren tussen de auto’s en dan gelost worden. Was ik toch niet uitgerust?
Waarom ging het in de Ronde van Groningen zo anders?
Bij de
vijfde volgauto komen er wat renners voorbij zetten die er nog gang in hebben
zitten. Zonder na te denken, gooi ik de moedeloosheid overboord. Alsof ik een
nieuw vaatje motivatie heb getapt begin ik gewoon opnieuw. Ik pik aan en hoop
dat ik met hen de oversteek nog kan maken. Op de rechte stukken komen er meer
volgauto’s voorbij, maar in de bochten maken we veel terrein goed. Ik zie Seppe
voor me rijden, en het geeft me moed. Of beter, ik zal kost wat kost bij hem
blijven. Renners om me heen weigeren samen te werken: ze rijden liever in hun
eentje achter een auto, helemaal uit wind en worden zo in een zeter naar de het
uitgedunde peleton voor hun geloodst. Ik weiger achter een auto te gaan zitten.
Het is een combinatie van het niet durven (wat als die auto die ook 60 rijdt
opeens op de rem trapt om iets te moeten ontwijken, dat gebeurt constant) en
niet willen (het is laf, niet op je eigen kracht het gaatje kunnen dichten). Ik
gooi hiermee mijn eigen glazen in: een wielerwedstrijd is helemaal niet
eerlijk, het is constant gebruik maken van elkaar of de omgeving. Een aantal
keer zet ik een waaier op, maar er wordt na mijn kopbeurt gewoon niet gereden.
Dorpjes vliegen in een hoog tempo langs me heen, en ik heb geen idee wat er
voor me gebeurt. Het volgende moment zie ik Jabik voor ons rijden. Op dat
moment is ons groepje kennelijk heel erg dicht genadert aan de tweede groep.
Kennelijk zijn we de auto’s al voorbij en zitten we weer helemaal in koers. Op
dat moment breekt de tweede groep en rijdt de voorste groep er met een noodgang
vandoor.
Het
volgende moment hebben we er 45km op zitten en ik schat dat we een dikke drie
kwartier onder weg zijn. Een keer heb ik 66 op de teller gezien, voor de rest
alleen maar cijfertjes beginnend met een 5. Wie rijdt er in godsnaam zo
verschrikkelijk hard vooraan? Goed, nu doen we hetzelf, maar de eerste 20
kilometer moeten een aantal mannen waanzinnig ‘warm hebben gedraaid’.
We
rijden de op de dijk richting Warns. Eindelijk vertrouwd terrein. Daar waar ik
vorig jaar 41 beulde op mijn P3 racen we nu met 60 richting de Roode Klif. Hier
pikken we een groepje op met Josbert er in. Hij heeft erg goed voorin gereden,
en dat in zijn eerste klassieker. Meer dan “he Josbert”, komt er bij mij niet
uit. Er had wel een ‘goed gedaan man!’, had er wel afgekund.
De
Roode Klif is me goed gezind, ik kom er met weinig moeite boven. Het geeft me
moraal, die nog geen 5 kilometer verder een flinke knauw krijgt als Jabik
doortrekt op de kant. Ik zit in laatste wiel en voor me valt een gat. De renner
voor me kan het gat niet meer dichten en ook Josbert zit in de problemen. Als
het gat snel groter wordt vloek ik hardgrondig. De woede ontbrandt extra
adrenaline: ik zal terug komen bij die groep. Ik hoor Josbert iets mompelen en
hij komt uit wind, langszij om over te nemen. We draaien kop over kop en komen
terug bij de groep. Een paar bochten verder is Josbert er niet meer bij. Hij is
door een renner in de berm gezet en is niet meer terug kunnen komen. Een aantal
keer draai ik per toeval op smalle weggetjes met wind op de kant als eerste. Ideaal,
omdat er minder tijd overblijft om op de kant te rijden, omdat je eerst de
waaier moet. Als ik dan ook nog in de waaier blijf zitten, kan ik eindelijk
herstellen.
In ons
groepje zijn een aantal die gewoon niet willen werken. Haakman is duidelijk de
sterkste. Het verwondert me dat hij hier zit: hij was 4de in de
Ronde van Groningen. Hij wil erg graag, wil naar de groep voor ons, maar is
afhankelijk van anderen. Jabik, Seppe en ik draaien kopbeurten op tempo, maar
de rest wil gewoon niet. Jabik trekt af en toe erg hard door. Hij wil de groep
kleiner hebben en zijn kopbeurten doen pijn. Seppe draait af en toe lange
beurten: hij zit gewoon te spelen. Hij geniet van de hoge snelheden, en het
rammen tegen de wind: de vis en de vijver. “Je kunt je beter kapot rijden in zo’n
waaier, dat is de beste training tijdens zo’n wedstrijd. Doe je dat, word je
uit koers genomen, doe je dat niet, word je uit koers genomen.”
Hoewel
langzaam het tempo van het eerste uur zijn tol begint te eisen, kan goede beurt
draaien blijven draaien. Als ik in het gedrang uit de waaier gekegeld wordt,
lukt het me vaak om voorin terug te komen in de wind, en me weer in de waaier
te duwen. In onze groep zitten ook Thomas Wobma en Hendrik Falkena. Thomas
rijdt op zijn Cervélo met Zipp wielen: het ziet er verschrikkelijk mooi uit en
alleen de aanblik van anderen laat hem harder rijden. Kortom ondanks dat er een
aantal hardrijders in de waaier zitten, wordt er maar door een paar echt
doorgereden.
Na zo’n
100km komt de bezemwagen naast ons rijden. We worden uit koers genomen. Nog
geen minuut voor ons rijdt de 3de waaier. Niemand begrijpt de
beslissing van de jury. Wat maakt die ene minuut nu uit? Maar kennelijk is het
verschil met de kopgroep dusdanig groot dat het regelement ons de dag omdoet. Jammer,
want ik had het idee dat het ergste leed wel geleden was. Nog 30km en de rest zou
weer windmee geweest zijn. We peddelen terug, en laten ons verwarmen door een
zonnebad op een terras van het Abe Lenstra stadion. We horen dat de 3de
waaier 15 kilometer voor de finish uit koers zou zijn genomen. Dat is wel heel
erg cru. Ook horen we dat Sven Kramer heeft huis gehouden in de 1ste
waaier en schijnbaar bijna persoonlijk de groep richting kopgroep heeft
gereden. Aftrainen heet dat...
Ook zien
we Aart Vierhouten in extremis de sprint winnen van Marco Bos, en Folkert die ‘gewoon’
weer finisht, samen met Sven Kramer als enige clubrenner. Hij mag dan ’s
morgens er ongemotiveerd uit kunnen zien, dat neemt niets weg van de klasse om ’s
middags weer met de allerbeste mee te kunnen, en dat is nog maar het begin.
Morgen is hij weer Folkert vandaag, plus één. En volgende week ben ik plus één.
