De puzzelstukjesserpentines

© foto Meijco van Velzen

 

Een verslag van de Omloop van de Veenkoloniën, 160km, Veendam

 

 26-3-2008

 

De weg strekt zich eindeloos uit richting de Pekela’s. In de verte is de afslag richting de provinciale weg zichtbaar. De weg maakt er een kleine knik en snelt dan door naar Nieuwe Pekela. Er zit één kleine vluchtheuvel in met een wegversmalling.

De wind komt uit het Westen en met de wind schuin van achter gaat het richting de 50km/u. Onvrijwilling komen herinneringen van Dalen boven drijven. Als hier over 3 dagen de wind nog steeds uit het Westen komt dan gaat het hier op een lint met de wind schuin in de rug en wordt het afzien, na 4 kilometer koers. Dan valt het hier al uiteen, en dus moet je hier al van voren zitten. En als het nog niet echt op een lint zit wordt het gevaarlijk met die wegversmalling. 

Het is stil rond de Pekela’s. Een enkele auto passeert me maar voor de rest is het nauwelijks iets levends dat indruk maakt. Het is slechts de uitgestrektheid van het landschap dat zich onderscheidt. Apart toch dat een horizontale lijn aan de horizon opgeleukt met wat boomarceringen zo’n indruk kan maken.

Als ik in Alteveer aankom en nog zo’n leeg stuk weg afgelegd heb is het me duidelijk: in dit stuk moet de eventuele achterstand goed gemaakt zijn en moet ik in de kop van het peleton zitten. De brug voor Alteveer kan ik nog goed gebruiken om een laatste gaatje dicht te rijden.

 

 

29-3-2008

 

Ik hoest een fluim uit mijn longen. “Ik hoor het al, dat wordt weer niks”, zinspeelt Jabik. Ik houd mijn mond. Er is helemaal niets af te leiden aan mijn hoesten: soms gaat het goed, soms helemaal niet. Geen idee waar het mee samen hangt. “Gasten!”, en met spinnende wielen komen Sebastiaan en Folkert Veendam binnen. “Hé you bitch”, moet Folkert kwijt als hij wordt afgezeken over zijn voorbereiding. Even is het stil, en het is duidelijk dat Bitch het Woord wordt vandaag.

“Hé goedemorgen” wordt “hé bitch”,

“kun je me de suiker even geven” wordt “hé bitch, suiker”, en

“loop niet te kutten, gewoon meedoen in die waaier” wordt “Bitch meedraaien!”.

Voor de Permanence lopen we Menno en John tegen het lijf. Rudie, onze mecanicien vandaag, ontfermt zich over de fietsen. Menno gaat zijn eerste klassieker tegemoet, en John hoopt op zijn eerste puntje. We nemen een kop koffie in de cantine. Het is tijden geleden dat ik zo’n smerige koffie heb gehad, en laat hem bijna onaangeroerd staan.

 

De laatste 3 kilometer zijn een uitgelezen kans om een demarrage te plaatsen. In de sprint ben ik kansloos, maar hier zitten voldoende bochten en rotondes in om weg te komen uit het groepje en zo een paar plaatsen te stijgen. De warming up is beter dan in Groningen, maar als we bij de start komen om te tekenen zie ik dat mensen zich al op de eerste startrij hebben genesteld en er zijn nog 20 minuten te gaan. Waarom vraag ik me af. Om af te koelen?

 

“Menno, waarom heb je maar één bidon bij je”, vraagt Sebastiaan als we bij de start staan.

Menno voelt de nattigheid al hangen. Hij voelt dat hij iets over het hoofd heeft gezien. “... ik heb er maar één gekregen”

“Dat was voeding, voor je drank moest je zelf zorgen”

“O, hmm”. Er is geen spoor van paniek. Menno neemt de situatie als hij is. Hij verzint wel een werkbare oplossing als de stuatie daarom vraagt. Ik zou direct in paniek schieten: de flits dat ik me tot kilomter 90 met één bidon zou moeten redden leent zich niet voor een rustgevende gedachte dat een werkbare oplossing zich vanzelf wel zou aandienen. Pipien brengt toch uitkomst door 2 bidons uit de volgwagen aan te reiken.

De kudddementaliteit maakt zich van mij meester en nestel me tussen de wachtenden. Folkert, Sebastiaan en Jabik staan iets meer vooraan, naast me staan Menno en John. Vijf minuten voor de start vliegen windstoppers, jasjes, beenstukken en bidon met boogjes richting verzorgers. Een artistiek toeschouwer moet dit spel aanschouwt hebben als een uitgeblazen regenboog serpentines. Begeleidende muziek ontbreekt, maar elke seconde vliegt er weer een ander kleurrijk kledingslint door de lucht.

 

© foto Meijco van Velzen

 

Het peleton schuift in één als er een bocht naar rechts in aantocht is. Eén renner probeert zich via het trottoir naar voor de wringen. Hij timet mis en klapt met zijn velg op de rand met een klappand tot gevolg. We zijn nog geen kilomter ver en de eerste heeft zich al een lekke band bezorgt. Ik ruik de nervositeit: de Veenkoloniën staat bekend als een nerveuze koers. Is iedereen daarom nerveus? Praat iedereen zich een nerveuze koers aan? Maakt iedereen er een nerveuze koers van omdat dat nu eenmaal in het verleden altijd zo was? Het idee en de geur duwen me onbewust naar achteren.

Als we de laatste rotonde gehad hebben rijd ik ongeveer in laatste positie, hoewel de juryauto niet ver is. Ik zie dat meer dan de helft van het peleton er voor rijdt. Dit is niet zoals het hoort. Sterker nog: volgens de regels is nu meer dan de helft dan het peleton gediskwalificeerd. Maar dat gebeurt natuurlijk niet. Ik blijf achter dat jurywagen rijden, maar als werkelijk iedereen er langs rijdt, moet ik wel mee. De koers is nog niet vrij, en zo goed en kwaad als het kan, probeert de motard ervoor de boel in bedwang te houden. Ik hoor een fluit en het volgende moment schiet het peleton vooraan in gang. Er is plaats rechts van de weg en ik ram naar voren. In de wind, maar het moet. Richting Pekela moet ik al veel verder van voren zitten. Af en toe probeer ik even beschutting te zoeken maar het is moeilijk. Even in de beschutting betekent dat de snelheid stokt en dat moet ik niet hebben. Dus zet ik me weer in de wind en ram naar voren. Hoe verder ik naar voren rijd hoe meer het op een lint komt te zitten. Hier en daar valt een gaatje en ik moet meer en meer van renner naar renner springen. Als reddeloos verloren gazelles vliegen we riching de vluchtheuvel tussen Ommelanderwijk en Pekela.

Ik ontwaar geschreeuw variërend van waa tot pasooop of versmalling. Een enkeling heeft zelfs nog de tegenwoordigheid van geest om met een handje te wapperen. Toch wordt er vol in de remmen geknepen als de versmalling nadert. Voor me hoor ik velgen piepen en materiaal tegen de grond smakken.

Jabik moet vol in remmen, komt dwars op de weg te staan en glijdt diagonaal door. Over hem heen komt een fiets zeilen. Hij sluit zijn ogen en telt zijn zegeningen. Als hij ze weer open doet zit hij tot zijn verbazing nog steeds op de fiets en kan door. Hij is bedust door het hem toelachtende geluk maar snelt er naar toe. Weg van hier.

Menno ziet de valpartij net voor hem gebeuren en kan slecht een achterwiel gebruiken als opstijgbaan. Ontwijken is er niet meer bij, en moet geloven dat hij op de fiets kan blijven zitten als hij het achterwiel gebruikt om af te zetten. Alsof geloof voldoende is lukt het hem en ook hij kan verder.

Sebastiaan heeft minder geluk: hij zit op de verkeerde plek als de valpartij zich aandient en wordt meegesleurd. Hij kan wel verder, maar fietst een verloren en ongelijke strijd tegen de wind en vooral tegen leeglopende moraal: ga maar eens op zoek naar het dopje van het flesje moraal bij een valpartij na 10 van de 165 kilometer: het klinkt als de speld en de hooiberg.

John beukt achterin vooral tegen de wind en zichzelf. De man met de meeste macht van ons allemaal levert een ongelijke strijd tegen de wind. Daar waar anderen de snelheid alleen kunnen houden door uit de wind te rijden doet hij hetzelfde in de wind, maar moet zich na een half uur gewonnen geven. 

Bij mij maakt een rust zich van me meester. Het is of vallen of niet, daar is nu niets meer aan te doen. Ik zit nu al of op de lijn van de val of niet, en dus is nu al duidelijk of ik val of niet. Links en rechts wijken renners uit, ik blijf zitten en kan betrekkelijk eenvoudig doorfietsen. Ik hoor meer materiaal tegen de grond smakken, maar heb slecht oog voor het gapende gat voor me: het voorste deel van het peleton is er vandoor en ik moet weer in de aanval om de prooi bij te blijven.

Voor de brug in Pekela kan ik weer aansluiten maar moet even bijkomen. Ik weet wat komen gaat en dat is geen prettige gedachte: alles gaat op de kant en ik heb nog serieus werk te verrichten om ergens voorin te komen. Ik raap Menno op, schreeuw hem toe dat hij moet aanhaken, maar merk dat het snelheidsverschil te groot is. Renners proberen te springen, maar als ze merken dat ze het niet halen schieten ze naar rechts, als gebaar dat ze hun werk gedaan hebben en verwachten dat er nu wel een waaier wordt opgezet. Ik heb er geen boodschap aan en doe zoals iedereen: op de kant rijden en naar voren proberen te rijden. Als de brug in Alteveer dichterbij komt is de 2de groep binnen bereik. Nog één ‘cartouche’ heb ik nodig en ik zit erbij. Ik sleur de brug op, kom als eerste boven maar merk dan dat de cartouche wel heel snel is uitgewerkt. Ik ben nu aangewezen op anderen om me bij die 2de groep te krijgen. Jabik komt aansluiten: ook hij heeft de sprong kunnen maken. De 2de groep rijdt de rotonde over terwijl wij de brug afkomen, maar er wordt niet meer gereden. Als een brave burger draai ik mee met de rotonde in plaats van direct links af te slaan. Het komt me duur te staan want moet weer in de achtervolging. Als ik aansluit, moet ik bijkomen. Ik kan niet nog een keer doortrekken. Sterker nog, ik kan nauwelijks nog aanhaken. Als Jabik op kop komt gaat het tempo omhoog en ik heb alle moeite van de wereld om het volgen. De gaten tussen de wielen zijn te groot en kan niet dichterbij komen. Waar ben ik met mijn hoofd? Af en toe lukt het me om me de waaier in te vechten maar laat me er net zo makkelijk weer uitduwen. Misschien duw ik me er zelf wel uit met het excuus dat het op de kant ook wel kan: even uitrusten. Het zijn duidelijk tekenen dat ik er niet bij ben, maar ben kennelijk ook niet bij machte om het bij te stellen.

 

 

We sluiten aan bij een groep voor ons, waarna het erg druk wordt op de smalle weggetjes. Voor me wordt er geschreeuwd en op het volgende moment zie ik een geschrokken Peter Merx aan de rechterkant van de weg zitten. Links ligt een fiets en iets verder staat nog een renner over zijn fiets gebogen. Kennelijk hebben renners elkaar de berm ingeduwd. Houdt het dan nooit op, dat geduw en getrek? Eigenlijk is er maar een oplossing: harder rijden en mensen lossen. Die oplossing kan ik mezelf niet aandragen. Ik zie me zelf niet op kop sleuren, terwijl het op de langere termijn de enige oplossing is om mezelf in koers te houden.

Meer en meer komen er signalen binnen die me erop wijzen dat ik niet bij deze groep hoor. Met een schuin hoofdje, rechts over mijn stuur kijkend, zie ik voor me renners uit de wind zitten in de waaier, zichzelf rust gunnend. Het is bijna een computerspel: boven het rennertje geeft een symbooltje de hartslag weer. Bij het rennertje op kop is de hartslag hoog, en verhoogt iets naarmate hij langer op kop zit. Bij het rennertje dat net van kop komt daalt het iets, en hoe verder een rennertje in de waaier zit, hoe meer de hartslag is gedaald. Dit verandert echter waar de waaier eindigt. Daar zitten rennertjes achterelkaar met enorm hoge hartslagen. Hun positie op de fiets is ook anders: schokkend, schuin kopje, eigenlijk verstoren ze het asymetrische, artestieke beeld wat een waaier kan hebben. Er is geen uitweg voor hen en een kwestie van tijd voordat ze van het scherm verdwijnen. Tenzij ze naar springen, door de wind en voorin aansluiten en een ander uit de waaier duwen.

Middenin de polder komt de groep weer op de kant te zitten: kennelijk wordt een aantal renners in de waaier er te vaak uitgegooid en moet de groep kleiner. Ik word in de berm geduwd en moet door de modder. Ik verlies contact met de groep en moet in de achtervolging. Het zou een moment zijn om de handdoek te gooien maar weiger. Ik zal het niet kunnen verkopen na de koers: ”Je wordt in de berm gedrukt en je kapt ermee?”. Voor me spartelt nog een renner. Auto’s passeren ons. Al is het mijn laatste kunstje, ik zal weer aansluiten bij de groep. Ik rijd de gelostte renner voorbij en slalom tussen de auto’s naar voren. Het kost me erg veel kracht, terwijl ik dacht dat tussen de auto’s rijden juist een voordeel zou zijn. Op TV zie je al die renners ‘teruggebracht’worden in het peleton. ‘Teruggebracht’, door wie? Ik moet het goddomme zelf doen. Misschien helpt het niet dat we wind mee hebben. Het gat wordt kleiner, maar van aansluiten is nog geen sprake, totdat in een relatief makkelijke bocht een renner onderuit gaat en de snelheid er helemaal uit is. Jeffrey van de Velde glijdt onderuit en wordt in de hitte van de koers de huid volgescholden. Het is mijn geluk, ik kan weer aansluiten. Ik nestel me op kop en probeer het tempo iets lager te houden. Dat wordt uiteraard niet geduld, en het wordt weer een gevecht tegen de juiste instelling. Die had ik vandaag al verloren en het is wachten op het moment dat het echt afgelopen.

Bij een volgende bocht klappen twee renners voor me tegen elkaar, met een voorwiel aan diggelen voor één van hen, en een gapend gat tussen mij en de groep tot gevolg. Wéér kan ik het gaat gaan dichtrijden. Op een lang recht stuk, met de wind weer op de kant wordt het gat tussen de waaier en mij weer groter en hark mijn weg richting het Grote Lossen. Pas als er een 100 meter tussen mij en de groep zit geef ik op. Ik kijk achterom en wacht op een volgend groepje. Hierin kom ik bijna de hele Friesche Leeuw ploeg tegen, met Hendrik en Thomas. Even is er hoop dat ik met deze groep terug kan komen: Thomas, Hendrik en ik moeten toch een stukje hard kunnen rijden, maar er wordt niet gereden. Sterker nog, ook hier is het harken voor mij. Klaxonerende auto’s willen er voorbij, terwijl de wind van de zijkant komt. Het is een keuze tussen de waaier opgeven om de auto’s er langs te laten of ons zelf te sparen en de auto’s geïrriteerd achter ons te laten. Ik kies voor het eerste, maar dat wordt me niet in dank afgenomen. Kennelijk moeten de auto’s zelf maar een plek uitkiezen om er langs te komen.

Ergens voor Bellingwolde wordt nog een keer serieus het gas opengetrokken, met als gevolg dat de groep uitdunt tot 6 man. Ook daar ergens springt Jeffrey achter de auto van zijn ploegleider springt en rijdt weg. Mijn eerst reaktie is dat dat niet eerlijk is, maar het moet me zo langzamerhand duidelijk zijn dat er wel meer niet eerlijk is in het wielrennen. Je moet de situatie gebruiken zoals die zich aandient en je voordeel er mee doen. Als er ergens principes overboord gegooid kunnen worden dan is wel tijdens de koers.

 

 

Nog voor de revitaillering bepaaldt de wind dat het tijd is voor het begin van het einde. Het waait hier erg hard en iedereen is gesloopt. Met een man of vier doen we nog kopwerk, maar erg overtuigend is het niet meer. Op het kaalste stuk van de koers is de revitaillering. Met volle overtuiging pak ik mijn zakje aan. Ik zie Jabik langs de kant staan. Hij reed zo sterk, maar zijn rug hield het niet. Om niet zijn hele voorseizoen in puin te rijden heeft hij wijselijk besloten om eruit te stappen. Ik zwoeg langs hem heen, en met drie man rijden we verder. Met drie man nog 80 kilometer rijden wordt een moeilijk verhaal. De overtuiging waarmee ik mijn ‘lunch’ aanpakte is in 60 seconden verandert in een onbestemd gevoel dat het misschien wel niet meer goed komt vandaag.

In Blijham word ik de verkeerde kant opgestuurd, maar is het een uitstel van executie. Een paar kilometer later komt er een busje naast ons rijden en mompelt de met snor versierde bijrijder iets. Ik kijk hem aan en probeer te ontcijferen wat de man bedoeld kan hebben. Als de bus voorbij komt lees ik ‘Bezemwagen’ op de achterkant. Het is me direct duidelijk dat dit het einde is, en het voelt als een nederlaag. In plaats van mee te doen voor de punten, word ik uit koers genomen door een opeenstapeling van fouten. Voorbij gereden door de bezemwagen, dat wil ik nooit meer meemaken.

Ik rijd terug met Albert Schurer. De man heeft een knapzak vol klassiekerervaring, hier zelfs in 2002 gewonnen, en afgelopen erg sterk gereden in Ierland. Ook hij moest eraf, kennelijk niet voldoende hersteld tussen de Ierse etappekoers en vandaag. Het beurt me iets op, maar het gevoel van de gelede nederlaag blijft. Waarom was de concentratie er niet?

In Veendam kom ik Menno tegen. Hij kan zijn verbazing niet onderdrukken. Hij vind dat hij niet thuis hoort in waaierklassiekers maar had wel verwacht dat ik in ieder geval de finish zou halen. Ik vertrouw hem toe dat hij in mei echt wel mee zal kunnen, misschien als er iets minder wind staat. In de koude wachtten we tot de eerste mannen binnen komen. De latere winnaar Joost van Weerd heeft zijn demarrage al geplaatst en met het snot op de lippen sleurt hij zichzelf naar de finish. Zo’n twee en een halve minuut later komt Johan Procee met 2 man voorbij en 3 minuten later Folkert. Hij zit erg cool op zijn fiets, alsof het hem allemaal niet deert, maar is een Folkertiaanse imitatie van ‘het dode vogeltje’. Het is onvoorstelbaar dat hij met zo weinig trainingsuren deze koers heeft uitgereden.

 

 

Er heerst teleurstelling. Er had hier meer ingezeten, maar het komt er nog niet uit. We kunnen slechts hopen dat binnenkort de puzzelstukjes op de plaats vallen. “Er moet goddomme wat gebeuren”, preekt Jabik. Ik kan niet wachten tot mijn puzzelstukjes als serpentines om me heen dwarrelen en ze slechts uit de lucht hoef te plukken.