

http://www.wielrennen.net/2008/20080308.htm
Als de
buitenland-plannen doorgaan, is dit de enige en laatste mogelijkheid om de
Ronde van Groningen te rijden. Na 2 omlopen en 1 criterium bij de Amateurs-A en
de Ronde van Brabant waar ik ten val kwam, is de Ronde van Groningen wel wat
hoog gegrepen, maar uitdagingen zijn er om aan te gaan.
Na een
winter gedisciplineerd trainen en een redelijk goed trainingskamp, zag het er
toch goed uit: uitrijden moest toch echt tot de mogelijkheden behoren. Het
enige obstakel was ervaring: je voordeel kunnen doen in de waaiers, en niet
alles zelf moeten doen. Dat was het recept om uit koers genomen te worden,
omdat zelfs de laatste waaier te snel ging.
Maar
toen de longen opspeelden halverwege het trainingskamp en die kwaal 2 weken
aanhield ging het snel bergafwaards ben de motivatie. Ik werd er genadeloos
afgereden in de eerste 3 kilometer in Dalen, met 65km/u en de dag erna, in
Ekehaar hield ik het een half rondje vol. Geen kracht in de benen, geen
zuurstof in de longen. Hoewel de Ronde slechts het begin was van ervaring opdoen,
besefte ik steeds meer dat ik er meer waarde aan hechtte: een koers rondom je
eigen stad en dat waarschijnlijk voor mij de laatste kans.
Afgelopen
woensdag ging de training voor het eerst weer redelijk goed. Tempo was prima
vol te houden, en kreeg de hartslag weer op mijn anaerobe drempel. Donderdag
werden de laatste knopen uit de benen weggemasseerd door Harry Haaksma, nogal
pijnlijk en dus kennelijk hard nodig. En vrijdag voelde het wakkerschudden van
de spieren op 350W heel anders: soepel en fris.
In de
kleedkamer kijk ik in mijn kledingzak. Ik heb van John mijn
Gaul!-wedstrijdkleding gekregen. Gelukkig, want anders had ik in mijn
wintertrainingskleding moeten starten. Ik zoek motivatie, een trigger die mij
in de juiste stemming brengt. Enigszins onverwacht krijg ik die aangereikt: de
Gaul!-overschoentjes. Strakke, glimmende overschoenen, die nauwelijks over de
schoenen passen. “Wow, vet soignée!!”, schreeuwt Jabik het uit als hij mij
voorbij ziet komen.
Seppe
probeert over zijn insuline-dip heen te komen. Wat loom probeert hij zijn
kleding aan te trekken. Hij heeft het moeilijk om een antwoord te vinden op de
vraag: hoe zal ik mijn rugnummers nu bevestigen op mijn shirt?
Voor
John is het, net als voor mij, een grote ervarings-achtbaan: we kunnen beide
erg hard rijden, maar peletonervaring ho maar. “Als we er nu een koppeltijdrit
van maken a 44km/u, dan rijden we harder dan de rest”, probeert John.
Sebastiaan
heeft zijn geluksmoment al gehad vandaag: hij heeft een ongebruikt toilet
gevonden in het Noorderpoortcollege, en heeft daar in alle glorie goed
gebuik/misbruik van gemaakt.
Folkert
is de gemoedelijkheid zelve: hij heeft dit al tig-keer meegemaakt. Buiten wordt
hij geinterviewed door een TV-ploeg. Hij laat het allemaal over hem heen komen
alsof hij het zelf regisseert. Hij kan zich nog het meest opwinden over de
armstukken van Seppe met witte opdruk, integenstelling tot de gele
die Gaul! dit seizoen draagt.
Ook
Jabik ziet het allemaal wel op zich afkomen: hij lijkt alle touwtjes in handen
te hebben en trekt er hier en daar even aan als er iets moet gebeuren. Hij legt
uit dat we alleen als ploeg iets kunnen ondernemen: dus het doel in het begin
is om elkaar op te zoeken, en dan zien we wel weer verder. Het klinkt erg
eenvoudig, maar ik moet het nog maar zien gebeuren in een peleton van
geen-idee-hoeveel-man.
Buiten
op de parkeerplaats staan Wouter Santing staat onze fietsen op te tuigen. Ik
krijg zowaar een kaderplaatje bevestigd op mijn achterrem. Simon Winke, de
ploegleider, zal de auto besturen. “Als je iets nodig hebt, steek je je hand
maar omhoog”. Maar als het peleton in stukken breekt, waar zit die auto dan?

Na een
valse start, twee renners vallen uit stilstand pardoes om, rijden we om iets
over 12:00 de neutralisatie in. De enige ervaring die ik heb met neutralisatie
is wederom de Ronde van Brabant, en dat was erg nerveus. Renners die direct het
fietspad opvliegen, ellebogen en bijna-valpartijen. Hier gaat het redelijk
gemoedelijk. Bij een vluchtheuvel is er even een opening naar de eerste rij
maar ben in gedachte te traag om te reageren. “Je kunt in de Ronde van
Groningen uit kompleet geslagen postitie nog terugkomen, als alles weer
samensmelt.” Wat maken die 30 plaatsen nu uit tijdens de neutralisatie als je
nog 160km voor de boeg hebt. Na een bocht naar links wordt de koers vrijgegeven
en vliegt de snelheid omhoog. Ik laat me meeglijden met de massa,
geconcentreerd en attend rijdend. “De eerste 50 is gewoon een tijdrit, rijden
tot je niet meer kunt. Daarna zien we wel.” Het devies is om gewoon aan te
haken. In flitsen zie ik Jabik en Sebastiaan langs vliegen. Sebastiaan zit
voorin in de waaier, rijdt erg attend. Jabik maant me tot kalmte: ”Niet teveel
geven, houd je rustig.” Als er een gaatje valt richting de waaier voor ons wil
ik aan. De wind zit linksvoor en zet een waaier op ,omdat ik het idee heb dat
we er heen kunnen. Wederom maant Jabik me tot kalmte. Inderdaad, als het weer
bij elkaar komt, is dit allemaal verspilde moeite. Het zou toch jammer zijn als
ik ‘m hierdoor niet uitrijd. In de groep herken ik ook Matthijs Groeneveld, een
renner van de NWVG, die ik ken van mijn werk waar hij ooit stage liep. Begin
vorig jaar keek ik vol ongeloof naar hem toen hij in een kopgroep zat van een
trainingswedstrijd in Emmen, terwijl ik er bij de Amateurs-A genadeloos was
afgereden, na een halve ronde. Het doet de motivatie goed: ik bevind me in goed
gezelschap, te meer er een paar mensen bij zitten die gewoon willen werken. Dat
kan ik wel waarderen.
Het
gaatje met de waaier voor ons wordt bijna niet groter. Nog meer reden om te
denken dat het op een gegeven moment wel weer bijelkaar zal komen. Af en toe
komt er een volgauto tussen, maar we blijven ze zien, zo’n 200-300m voor ons.
Ik voel me erg goed, doe mijn kopwerk en voel dat ik kan herstellen in de
waaier. Af en toe komt het op kant, maar met de gedachte dat ook daar ‘wel weer
een eind aan komt’, doorsta ik die goed. Iedereen moet dan bijten, en ik vind
dat ik harder kan bijten dan anderen: zo lang zij erbij zitten, mag ik niet
lossen. “Klasse, jongen, klasse”, als Jabik voorbij komt. “Ja, het gaat erg
lekker”, antwoord ik droog, op een toon alsof ik een boek aan het lezen ben.
Het hoofd is helemaal leeg: ik let slechts op de wind en heb als enige doel me
niet laten wegdrukken naar achter.
Plots
valt het tempo weg en brabbelt iemand ‘evi te jering’. Ik kijk hem glazig aan,
door mijn zonnebril, en pas na een seconde of 10 ontcijfer ik “ravitaillering”.
Ik ben door één bidon heen, en heb inderdaad drinken nodig. Zou er iemand
staan, en hoe herken ik die? Zou hij of zij een Gaul! shirt aan hebben? Op een
gegeven moment herken ik Bunne, de broer van Folkert, in zijn gewone jas. Hoe
is het mogelijk, dat ik hem herken? Ik steek mijn hand uit, in een poging om
voor het eerst in mijn leven een zakje aan te pakken tijdens een wedstrijd. Het
gaat goed, de inhoud slaat tegen mijn arm, maar ik heb het. Wat nu te doen met
de lege bidon? Even probeer ik ‘m in mijn shirt te stoppen, maar merk dat de
rugnummers in de weg zitten. Het tempo van de groep daalt niet echt, dus ik
moet door. Dan maar de berm in. Met enige schroom gooi ik de bidon weg. Het
zijn mooie bidons, en wie weet krijgen we er niet meer dan we nu hebben. Een
beetje zonde is het wel. Volgende keer betere afspraken over maken. Een 0,5l op
93km, en nog 1l voor de overige 60? Dat is echt veel te weinig: daar gaat echt
20% vermogen aan verloren.

Ergens
komt Folkert terug waaien uit een waaier voor ons. Even denk ik dat hij ons
komt bijstaan en dat we echt gaan aansluiten, maar het volgende moment is hij
er echt af. De dorpjes vliegen voorbij, en herinner me nu dat ik rond de 95km
een rekensom probeer te maken, waarbij de uitkomst dicht tegen de 50km/u ligt.
Geen idee of het klopt, maar het idee dat we over de helft zijn doet me goed.
Nog steeds kan ik, diep zittend, kracht zetten op elke pedaalslag. Soms zie je
de benen van die Tour de France renners, met 70 rotaties per minuut, elke
pedaalslag rake klappen maken. Dát gevoel had ik bij kilometer 1, en nu nog
steeds. Samen met het feit dat ik kan herstellen in de waaier is het goddelijk
om hier te mogen koersen. Veel mensen langs de kant, veel wielrenners langs de
kant en af en toe een verdwaalde toerder, jong en oud. Zo keek ik in 2004 naar
een koersje in Tynaarlo op weg naar huis en dacht. Shit wat gaaf, hier wordt
gewoon het hele dorp afgezet. En zo kijkt deze toerder naar de Ronde van
Groningen. We passeren Spijk en ’t Zandt, waar ik ooit beulend zij aan zij met
Léon de Noorderrondrit reed en me verbaasde over de kasten van huizen die hier
staan. Maar er is geen werk.
Simon
komt met de auto naast ons rijden. Juist! Drank! Ik steek mijn vinger omhoog,
en krijg een bidon aangereikt. Ik druk mijn hand tegen de bidon en krijg een
zetje van de auto. Damn, wat gaaf! Als je zoveel kunt genieten tijdens de koers
is het makkelijk fietsen.

Langzaam
wordt het gat met de 3de waaier groter, en zakt het tempo in. Tegen
de wind in rijden we nauwelijks 30, en steeds meer mensen willen of kunnen geen
kopwerk meer doen. Jammer, want mijn benen willen nog wel, het hart overigens
ook. Het aantal zwenkingen opzij wordt groter: teken dat mensen moe worden en
het nog belangrijker is alert te blijven. Een Friesche Leeuw maakt het af en
toe wel erg bond door in de waaier van links naar rechts te zwabberen. Als zijn
korte kopbeurt ten einde is, gaat hij staan, en schiet zijn fiets naar achter.
Een keer toucheer ik zijn wiel en lig bijna op de grond. Als hij voor de
zoveelste keer loopt te verzaken scheld ik hem de huid vol, gevolgd door
‘mietje’. Ik ben verbaasd over mijn eigen testosteron-gehalte. Waar kwam dat nu
weer vandaan? Het was niet terecht, de jongen was waarschijnlijk al lang blij
dat hij nog mee zat. Zou ik ook zijn.
Jabik
vraagt of ik nog eten heb. Ik geef hem mijn supergel, degene die mijn Marmotte
heeft gered. ‘Nee, nee, dat moet ik niet’. Hij wil iets hartigers. Ik kan hem
niet van dienst zijn. Het zal ons toch niet gebeuren dat hij door hongerklop
uit gaat vallen?
Na
zo’n 120km hoor ik naast me een Kannibaal mopperen: ‘Straks nemen ze ons nog
uit koers.’ Kennelijk zit de bezenwagen vlak achter ons. Toch krijgen we te
horen dat we als groep de wedstrijd mogen uitrijden. Ik roep dat nog eens om,
om als bijdehand antwoord ‘ja, nee, ik ga lekker demareren’ terug te krijgen.
“’t Is maar dat je het weet”, snauw ik terug. Maar van binnen borrelt het van
geluk: ik rijd in mijn allereerste elite koers, mijn allereerste Ronde van
Groningen, de Ronde gewoon uit.

Zo'n
10km voor het eind, draaien we een stuk kasseien op bij Zuidwolde. Ook dit stuk
herinner ik me toen ik met Rutger en Joris wat aan het toeren was. We denderden
er toen van de anderen kant op. Alsof ik de Ronde van Vlaanderen herbeleefde
ging ik op de pedalen staan. Met de grote molen er over is toch het beste. Ik
schakel een tandje zwaarder, en probeer de snelheid omhoog te krijgen. Het is
hier toch ieder voor zich, en zware, grote renners zijn hier in het voordeel.
Het is de zwanenzang voor Jabik: zijn achterwiel valt eruit. Omdat de bezemwagen
erachter zit en nota bene doorrijdt, moet hij de strijd staken. Hij zet ‘m er
nog wel in, maar kan ons niet meer bijhalen. Dat suckt zwaar, te meer we de
enige Gaul!'s nog in koers waren.
Groningen komt snel dichterbij, en bij het binnen rijden van Groningen, begin
ik te denken aan een demarage. Er zit weinig meer in het vaatje, en in de
sprint word ik toch geklopt. Maar ik heb geen idee hoe het parkoers loopt en
houd het op het laatste rechte stuk: dat is volgens mij langer dan menigeen
denkt.
Ik zie
Henk staan, en grijns naar hem: als teken van ongeloof steek ik mijn tong uit
en houd mijn duim omhoog.
Op het
laatste rechte stuk, word het een lange sprint, en iedereen komt over me heen.
In tijdrithouding rijd ik toch 3 mensen voorbij en de benen barsten bijna.
Het
stuk na de finish kan me niet lang genoeg zijn. Ik zou tot in den eeuwigheid
kunnen door glijden. Plots staan Marinus in zijn politie-outfit voor me. Zijn
ogen fonkelen van trots. In 2006 begon ik op zijn schema’s te trainen. Voor het
eerste zat er iets van variatie in op dagen dat er geen Cycle Sport training
was. En het effect was merkbaar, en heeft me gebracht waar ik nu ben.
Johan
Procee eindigt in de kopgroep. Hij is bij Kardinge gedemareerd, maar werd terug
gepakt. Ongelofelijk knap, maar zijn gezicht verraadt dat hij, uiteraard, op
meer had gehoopt.
Uiteindelijk
ben ik de enige van Gaul! die de Ronde uitrijdt, en finishen er maar 40
renners. Ik voel me volledig gerehabiliteerd, na het Dalen-fiasco, en ga vol
goede moed de volgende wedstrijden in. “He Dimitri, ga je morgen mee naar
Zuidbroek?”, probeert Sebastiaan. Mijn rug doet pijn en de benen zijn moe.
“Moeten we misschien maar doen he?”
De
Cervélo is geweldig, de Eastons ook, en de SRAM schakelt super. Steven heeft er
een 120mm stuurpen opgezet, en het blijkt te kunnen. Het verklaart de rugpijn,
maar waarschijnlijk wen ik er wel aan. Het wordt echt hoogtijd dat ik eens een
cake kom brengen bij Cycletrend. Het stond in de agenda, maar overdag is
Groningen toch ver weg vanuit Assen. Sorry jongens.

http://www.rtvnoord.nl/sport/index.asp?actie=totaalbericht&pid=72057
(met video)
mms://media.rtvnoord.nl/video

![]()