Ik probeer mijn bidon uit de houder te halen, maar de coordinatie is er nauwelijks. Ik grijp mis, en moet naar benenden kijken om te zien waar mijn houder daadwerkelijk zit. In tweede instantie is het wel raak. Ik trek de bidon eruit. De aanspanning van de arm voelt raar aan, alsof het met touw aan elkaar vast gebonden is. Er is zelfs enige wilskracht voor nodig om de bidon naar boven te brengen. Het kost kracht, en het lichaam erkent dat de omstandigheden er niet naar zijn om die kracht ervoor opzij te zetten. De elleboog weet niet zo goed welke kant de onderarm op moet scharnieren om de bidon naar boven te krijgen.
Ik
zoek de remgreep op en probeer te schakelen. Steven schroeft het tempo op en er
moet een tandje bij. De toppen van mijn handschoenen zitten zo vol met water
dat ik niet kan voelen of ik op mijn schakelmeschanisme rust. Ik druk er tegen,
maar er gebeurt niets. In ieder geval een teken dat mijn hand zich niet op de
juiste plaats bevindt. In tweede instantie schakel ik bij, maar er is wederom
veel overtuigingskracht voor nodig om de spieren zo ver te krijgen om de
handeling uit te voeren. Het herinnert me aan een dodemansrit in April 2004
over de col du Granier, col du Cucheron en de col de Porte. Het wolkendek ligt
op zo’n 1000m en ik ben van mening dat het boven de wolken gewoon goed weer zal
zijn. Maar hoe hoger ik kom hoe slechter het wordt. Eerst is het sneeuw, maar
als de dag vordert gaat de sneeuw over in regen. Remmen is bijna onmogelijk
geworden, omdat kracht zetten te pijnlijk is. Zonder enig gevoel in handen en
voeten stap ik aan de voet van de laatste beklimming richting Saint-Hilaire af.
Met angst bevangen dat ik nooit meer enig gevoel zal hebben in deze ledenmaten
bel mijn nichtje of ze me kan komen halen.
De
omstandigheden van vandaag zijn zeker niet te vergelijken maar bar is het wel.
Het regent, het waait hard en het is nog geen 5 graden. Een 12-tal renners is
komen opdagen voor dit ritje. Op het forum wordt het tafereel pakkend
omschreven als:
“Respect
voor de 15 fanatiekelingen die van start gingen, geeft een geheel nieuwe
dimensie aan het woord mongolenwaaier
”
Even
hoop ik dat Tandje Hoger het afgelast, maar besluiteloosheid
regeert, en dus starten we. Iedereen vraagt zich af, of spreekt het uit: wat
doen we hier? Dit zijn toch geen omstandigheden om eens lekker de hartslag op
te drijven? Ik moet bij de start even in de achtervolging omdat ik toch mijn
jack wil uitdoen. Bij de eerste spetters van het laatste wiel weet ik: dit
wordt heel nat als ik ‘rustig tussen de wielen’ wil rijden, wat de intentie is.
Op het stuk voor de wind trekt Steven het gas open om 3 koplopers bij te halen.
Er onstaat een gaatje en ik moet serieus aan de bak om het dicht te rijden. Een
ronde later gaat Johan Procee (“rugnummer? Nee, dat hoef ik niet, wat kan mij
die uitslag schelen”: hoe langer hij stil staat, hoe kouder hij het krijgt) op
de pedalen staan. Ik sluit aan, en neem over. Na een beurt kijk ik om: we
hebben een gat. Dat was niet de bedoeling. Even later komt Steven aansluiten en
trekt het gas serieus open. Ik rochel me in zijn wiel. Ik concludeer dat ik
ziet opgesloten in een kopgroepje, dat hoogstwaarschijnlijk wel wil rijden. Als
ik me uit dit kopgroepje laat zakken is de inspanning voorbij, de overigen
willen waaarschijnlijk niet. Dus de enige manier om nog iets van deze training
te maken is bijblijven. Ik probeer mijn longen vrij te krijgen, maar ik rochel
me een ongeluk. De ratio zegt dat ik hier niet moet zijn. Alleen door de
gedachten al, laat ik Steven’s wiel lopen. Het is hetzelfde proces als op taxc 110
rotaties willen trappen met het oog op het PC-scherm, en door naar buiten te
kijken te beseffen dat je nog maar op 105 zit. “In het wiel! Rijd nou eens in
dat wiel! Het scheelt zo veel!”, commandeert Johan. Hij heeft gelijk,
natuurlijk heeft hij gelijk. Maar ik zit in dubio op de fiets, en dan wil ik
niet in het wiel. Ik wil in de zon, en ik wil mijn longen terug. De enige
moraal die me wordt aangereikt is dat we voor de tussensprint de anderen al op
een ronde hebben gezet.
Een
ronde voor de tussensprint rijdt Johan lek (“Lek!... succes jongens!”), en
moeten Steven en ik het alleen doen. Wat een aanfluiting. Aan de andere kant:
we kunnen de buit nu verdelen: beiden een zak drop! ‘Cyclesport Groningen regeert op de wielerbaan.’
Fantasien over ruilhandel spelen op. “Steven, ik deze, jij Warns?”. Hij knikt:”Ja prima.” Hij heeft het idee
dat hij een goede deal gemaakt heeft, niet wetende dat ik helemaal niet in
Warns rijd. Ik grinnik: volgens mij zou ik het niet eens uit mijn strot
krijgen.
We
simuleren een sprint, en ik druk mijn wiel iets eerder over de lijn, hiermee
duidelijk makend dat Steven de eindstreep ‘mag hebben’. Hij is veel sterker dan
ik vandaag en heeft recht op de overwinning. Maar de competitiegeest in me zegt
dat dat er helemaal niets mee te maken heeft. Of heeft hij juist net iets meer
ingehouden om de druk bij mij te verhogen dat hij de eindstreep mag hebben?
Tiens, tiens, hoe slim of doortrapt kun je een teamgenoot maken?
We
rijden onze rondjes, rapen renners op en zetten iedereen op 2 ronden. Een
aantal kan aanhaken, maar kopwerk wordt er niet gedaan. Johan sluit nog wel
aan, aan een wielwissel. Bikkel.
Ondertussen
is de kracht nauwelijks aanwezig. Ik kan veel argumenten verzinnen, maar allen
verdwijnen als excuus de prullebak in. Steven’s combinatie (huidige wilskracht)
x (huidig vermogen) is veel hoger en ik kan hem alleen maar volgen. De speldeprikken
voor de laatste ronden kan ik pareren, maar ik kan het niet over mijn hart
verkrijgen om echt een demarrage te plaatsen. Sterker nog: de benen staan met
spandoeken op de voorste rij: wij staken. Steven zet aan en op zijn Zoetemelks
wil hij vertrekken richting de eindstreep. Ik glij mee in zijn wiel, maar er
naast komen lukt me niet meer: het is wel goed zo. Rugnummer af, en naar
Harrie: snel de ‘spierbuiken’ laten masseren en het geheel zien als een
training die ik er stiekem bij kreeg: hier had ik helemaal niet moeten zijn.