

29-9-2007
Overal zie ik,
ruik ik, hoor ik bacillen. Reisgenoten in de trein snotteren en kuchen er op
los. Of beeld ik me dat in omdat ik er extra alert op ben? Er is geen eerste
klas 6-zitter meer leeg. Allen zijn gevuld met jankende en schreeuwde kleuters.
Sinds wanneer zijn families zo sociaal om 1ste klas te gaan reizen?
Vroeger zat je in de 2de klas je de haren uit je hoofd te trekken
van ergenis doordat dochterlief krijsend het haar aangedane ongelijk uitte.
Uiteraard uitgelokt door zoonlief die met zijn tengels niet van die
intrigerende oorbelletjes af kon blijven. Zo’n 1ste klas 6-zitter is
natuurlijk de manier om jezelf te beschermen tegen de rondvliegende bacillen.
Of zouden ze daar juist blijven hangen? Nee, de airconditioning is een centraal
gecoördineerd systeem: alle lucht wordt gewoon door alle coupé’s geblazen.
Iedere coupé of treinstel krijgt evenveel bacillen per kubieke meter lucht te
verwerken. Met Argusoren luister ik naar de rochel van de treinreizeiger achter
me. Ik kan bijna het gejoel van de vrijgelate bacillen horen. “Geronimo!” Als
volleerde surfers balanceren ze op de luchtgolf, veroorzaakt door de kuch,
richting mijn neus. Zou ik mijn adem even inhouden? Die stroom is zo voorbij.
Met het moment
voel ik me zieker. Ja, ik voel in mijn hoofd de snotmassa toenemen. Logisch dat
ik de 300W niet in D2 kon houden vanmorgen. Veel aannemelijker is dat het niet
ideaal is om een 300W training om half zeven ’s ochtends af te werken, maar ik
wilde per se 24 uur hebben zitten tussen mijn laatste training en het NK. En
aangezien er naar een trouwerij in Amsterdam gegaan moest worden, moest het op
deze manier. En als ik 6 uur in de trein moet zitten op een dag, dan tracteer
ik me op een 1ste klas kaartje. Uiteraard heb ik begrip voor de
werkzaamheden tussen Hoogeveen en Zwolle, en vouw ik me als goed geschoold
sardientje op in de bus. Ik had ook met de auto kunnen gaan, maar na eerder met
loden benen gefietst te moeten hebben, na ritten naar Oostenrijk en Amsterdam
had ik die optie bij voorbaad al uitgesloten.
De vurige wens om
een perfecte tijdrit te rijden wordt continu aagevallen door denkbeelden waarom
het niet zou lukken. Of beter, waarom het niet meer zou lukken. Mijn
zwaarste trainingsweek, 3 weken geleden, zat zo volgepakt met zware trainingen
dat ik elke dag stijf stond van de testosteron. Ik mocht stuk gaan, practisch
elke dag, want het was tenslotte een week van investeren. Daarna kwam de
overcompensatie met het NCK en NK als wedstrijden waar gevlamd moest worden.
Elke dag zocht ik weer dat gevoel van kapot gaan op, want ‘er moest wel
geïnvesteerd worden’. Het einde van de week werd besloten met nota bene twee
tijdritten in Paaslo, een individuele en een koppeltijdrit. Die mochten slecht
gaan: ik had naar mijn idee veel van mijn lichaam gevergd, dus fris zou het
allerminst zijn.
Maar de
tijdritten gingen wonderbaarlijk goed. Ik hoefde maar 2 seconden op Marco Bos
toe te geven, terwijl in de koppeltijdrit erna met Steven Sloof, we iedereen
naar huis fietsten. Toegegeven: in de tweede ronde ging bij mij het kaarsje
echt uit, maar de verbazing bleef. Blijkbaar zat de geest er zo fris bij dat
het het lichaam kon dwingen om toch nog een keer alles te geven. De hartslag
was er zelfs na. Zat ik wel op mijn grens?
Nu ik 2 weken van
overcompensatie er op heb zitten, zit de geest er heel anders bij: waar is dat
gevoel van onoverwinnelijkheid, van ‘helemaal stuk willen en denken te kunnen
gaan’? Tijdens het NCK en het NK moet ik pieken, terwijl ik tijdens de
trainingen tussendoor met de handrem erop moet rijden. Moeilijk, mentaal vooral
erg moeilijk.
En hier zit naar
mijn idee de crux: het omgaan met de eis de je jezelf oplegt om een perfecte
tijdrit neer te zetten. Het vereist een kanalisering van welhaast obsessieve
gedachten op een manier die dezelfde focus oplevert als de – lichaamseigen(!) –
testosteron van een zware trainingsweek. Hoe doe je dat? In mijn geval denk ik
toch dat het het belangrijkste is om de druk weg te nemen. Ik moet met plezier
de wedstrijd in kunnen gaan. Bij de start niet verder te hoeven denken dan de
komende 5 seconden.
Een, twee, drie,
vier, vijf.
Mijn ogen dwalen
af. Erger nog, mijn gedachten ook. Ik herleef een wedstrijd die nog moet
plaatsvinden. Tussen Enumatil en de brug bij Hoogkerk zet ik de knop om van
volhouden, van snelheid houden, naar alles of niets. De rem moet eraf, de
hartslag moet naar de 180. In gedachten ben ik op zoek naar de juiste trigger,
de juiste herinnering, het gedachtenelixer dat mij de komende 6 minuten door
gaat brengen. Ik heb me dat al vaker afgevraagd: waarom kun je op het moment
dat het niet voorhanden is, bijvoorbeeld op een stuk tegenwind, in een
troosteloos stuk landschap, zonder toeschouwers, niet een automatisme oproepen
dat je in staat stelt harder te trappen in plaats van toe te geven aan de wens
om minder pijn te lijden? Want als het wel voorhanden is, dan kun je harder.
Wat wil zeggen dat je in gevallen dat het er niet was, ook harder had gekunt.
Ik hoop dat ik op dat moment aan mijn vader denk, die het waarschijnlijk
fantastisch had gevonden dat zijn eigen zoon, op zijn manier welliswaar, zijn
wil zo kon buigen dat het hem verder bracht dan hij en zijn zoon zelf, ooit
hadden durven verwachten.
30-9-2007
Ik word met een
onbestemd gevoel wakker. En eigenlijk de hele morgen loop ik rond met een
gevoel dat ik me niet helemaal honderd procent voel. Op zoek naar focus laat ik
Limp Biskit door de speakers knallen, en warempel, het helpt. Ik sluit mijn
ogen en zoek naar het gevoel, de bevestiging dat het wel goed zit. Het
parkoers flitst ontelbaar keer langs en zie me zelf uit het zadel komen om die
laatste tienden bij elkaar te sprokkelen.
Het enige wat ik
aan het doen ben is mezelf weer begraven onder druk. Ik had gisteren juist
geconcludeerd dat ik dat niet moest doen, en er luchtig naar toe moest leven.
Die druk komt vanzelf, het bewijs wordt me panklaar aangerijkt.
Ik pak een
glimmende Cervélo in en start rond 10:15 de auto. Ik wil graag voor de start
van het evenement er zijn, dan kan ik de auto zo dicht mogelijk bij de start
plaatsen. Omdat de 60+ om 11:00 starten moet ik opschieten.
Maar de auto
start niet. Het lampje van het oliepijl staat op rood. Ik probeer me herinneren
of ik dat gisteren ook heb zien branden. Het enige ‘goldplating’ dat deze auto
bezit is de eerst hulp afdeling. Werkelijk alles is aanwezig, van
brandwondenset tot overlevingsdeken, dus ook een pak motorolie. Waarom overkomt
mij dit? Op de belangrijkste wedstrijddag van het jaar, start mijn auto niet.
Wat als het evenement nu in Wichmond was geweest? Welke hindernissen of
kruiswoordraadsels staan mij nog meer te wachten voordat ik in volledige focus
aan de start sta? Ik vouw een trechtertje van een papier en begin de olie te
gieten. Als ik het goudgele goedje naar binnen zie sijpelen stop ik abrupt. Ik
bekijk het pak en met grote letters lacht mij ‘diesel en turbo diesel engines’
me tegemoet. Het is tijd voor een plan B.
Plan B is met de
fiets naar het benzinestation in Paddepoel, olie halen, erin gooien en weg van
hier. Toch stap ik de auto in, iets zegt me dat ie wel start. Per slot van
rekening is het pijl van de olie laag, niet te laag. En warempel, hij start. Ik
rijd naar het benzinestation en koop nu wel de juiste olie. Van het groene NCK
volgbordje van de Damesploeg, dat nog in de auto rondslingerde, maak ik weer
een trechtertje. Een halve doos gaat er in en ik ben weg.
Uiteraard ben ik veel te vroeg, maar het geeft me rust en ik heb tijd om
eens te gaan kijken hoe de eersten de rotonde nemen. Bij de start haal ik mijn
nummer op. Het ziet er allemaal erg verzorgd uit. Verrassend is het snoep op de
tafel bij de startnummers. Ik weerhoud me ervan: geen idee wat drop met me doet
zo voor de start. Maar het is duidelijk dat er veel aandacht besteed is aan de
aankleding.
“Ah, de Dimitri
Lafeur”, zegt de dame die de startregistratie bijhoudt. Ik schrik ervan. Is
mijn bekendheid zo ver vooruit gesneld dat zelfs de KNWU jury me al kent. Het
blijkt de vriendin van Andre te zijn. Andre zelf flits voorbij, zijn ogen
zitten vol met scherpte. Hij is al in touw sinds 7:00 vanochtend. Het is een
werkpaard waar Cyclesport zich gelukkig mee mag prijzen. Al de ervaring die hij
meegenomen heeft uit zijn triathlontijd stort hij zonder morren in de
vereniging. Veel van de actieve uitstraling die Cyclesport zich dit jaar
aangemeten heeft komt hem toe.


Ik loop richting de
eerste bocht van het parkoers, waar Karen en Sipke staan, in de aanslag als
verkeersregelaar. Even later komt zelfs de koffieservice langs. Ik krijg ook
een bakje, een shot caffeine kan ik wel gebruiken. Rond 11:05 komt de eerste
deelnemer langs zeilen. De bocht wordt met akelig veel voorzichtigheid genomen.
Zo dacht ik het straks toch niet te gaan doen. Ik loop richting de
rotonde-combinatie. Op weg ernaar toe passeer ik Esther en Suzanne, Joost en
Willy. Het is geweldig hoeveel vrijwilligers er opgetrommeld zijn. Zonder hen
geen wedstrijd. Bij Suzanne en Eshter zit de meligheid er al goed in, maar het
zal de lange dag korter maken.
Bij de rotonde
komen de deelnemers vierkant door de bocht zetten. Niemand wil natuurlijk het
risico lopen om er daar uit te vliegen. Er ligt grind en je bent net 2
kilometer onderweg. Ik zoek een bezem. Er moet hier geveegd worden. Ik wil over
de veredelde kasseitjes kunnen rammen zonder het idee te hebben dat ik ieder
moment lek kan rijden. Rob neemt het over. “Laat mij dat eens doen, jij moet je
krachten sparen”. Rob heeft in de aanloop van het NK een examen als diplomaat
afgelegd. De politie en gemeente waren tot enkele weken voor het evenement
helemaal niet te spreken over het parkoers. Die rotondes waren een veel te drukke
verkeersader om af te sluiten voor een ‘wedstrijdje’. Uiteindelijk is de
gemeente overstag gegaan, zeker met dank aan Rob’s diplomatieke volharding.
Een stuk over 5
verkeersregelaars hebben de 2 rotondes onder controle. Een sein via de walkie
talkie is het eerste teken dat er een deelnemer in aantocht is. Vervolgens
blaast de voorste verkeersregelaar op een fluitje en laten de overige
verkeersregelaars al het verkeer stoppen. Op een enkele gefrustreerde
uitbrander na, laten de auto’s het zich welgevallen.
Ik kijk de
kasseitjes nog eens na. Het ziet er redelijk schoon uit, hier moet ik wel
ongeschonden doorheen komen. Rob weegt de laatste steentjes opzij: “Dimitri,
overal mag je lek rijden, maar niet hier”. Ik loop terug naar de start. Mijn
handen zijn koud van de wind, en mijn benen voelen zwaar van al dat gesjok. ‘Ik
moet ook op bed liggen man, wat is dit nu voor voorbereiding?’.





Bij de warming-up
stand zit Bas Canoy zich al warm te fietsen. Ik groet hem hartelijk. Bij de
Trois Ballons hebben we uitvoerig nagetafeld, na allebei compleet gesloopt te
zijn geweest door de slotklim ‘aangelegd door een maniakale gek’, zoals hijzelf
omschreef op de site van Gaul!. Bij de Marmotte
heb ik hem slechts in de eerste 10km gezien, daarna liep mijn ketting eraf bij
het schakelen. Alsof hij niet precies wat hem te wachten staat, kijkt hij om
zich heen. Ik wens hem succes. Als ik mijn warming-up setting heb klaar gezet
kan ik Steven bij de start aanmoedigen. Ik ga een eindje na de start staan, weg
van het publiek bij de start. Beter aanmoedigingen verspreidt over het parkoers
dan alles in het begin.
Een horizontaal
voortbewegend massamiddelpunt vliegt langs. Het lijkt allemaal in balans. Geen
grimas, geen schokkerige bewegingen richting topsnelheid, nee één
gecontroleerde beweging om het vermogen zo constant mogelijk te houden. Geen
verkwisting, geen greintje zorg. Alsof er een tekstballontje voor hem uit waait
waarop staat hoe hard er getrapt moet worden. In alle rust dendert Steven de
donkere wolken tegemoet. Het is slechts te hopen dat die bui nog even geduld
kan hebben. Ook Henny Rovers moedig ik aan. Het is dan wel de concurrent van
Steven, maar als je de strijd met Jelle Nijdam en Peter Pieters bent aangegaan,
dan heb je mijn steun al lang en breed verdient.




Terug bij de
warming-up stand is het bijna gezellig. Marco en Arjen Bos, Bas, Jabik-Jan
Bastiaanse, Folkert de Haan, er heerst hier nauwelijks een wedstrijdsfeertje.
Alsof iedereen elkaar de hoofdprijs gunt.,Alsof iedereen nu al accepteerd dat
er door anderen harder gereden kan worden. Mwua, eigenlijk is dat ook wel zo.
Bij een individuele tijdrit kun je je slechts verschuilen achter je eigen
mentale hardheid of het gebrek eraan.
Dan begint het te
regenen. Eerst vallen er een paar druppels uit de lucht, maar dan begint het
harder te waaien. Ik kijk op mijn horloge. Misschien is Steven al bij het
keerpunt, en heeft hij er voordeel bij. Aan de andere kant, Henny zit er ook
in, dus wat maakt het uit.
“Ik heb nog eens
naar de week gekeken voor die tijdrit in Nijeveen, toen je je zo goed voelde,
en deze week heb je hetzelfde gedaan als toen.” Dat soort taal doet deugd en
sterkt de moraal. Kennelijk heb ik het nodig: het zal de toch aanwezige
wedstrijdstress zijn. “Ik haat wedstrijdstress”, bijt ik Raymund toe, als hij
vraagt naar ‘het gevoel’. “Wat doe je hier dan?”, is het antwoord. Ja, het kan
me niet snel genoeg beginnen. Weg met de kwelling voor de start.
Ondertussen is
duidelijk dat Henny Rovers nog een keer mag starten. Waarom is onduidelijk,
maar feit is wel dat hij het mini-stormpje zal missen.
Ik ga een honderd
meter voor de finish staan en schreeuw Steven naar de finish. “Tak, tak, tak”,
roep ik iets sneller dan hij trapt, in de hoop dat hij nog eens extra beseft
dat elke tiende kan tellen. Nog steeds ziet het er gecontrolleerd uit, maar
hard gaat het wel. Hij zet 31:44 op de klokken. Veruit de snelste tijd van de
dag tot dan toe, maar langzamer dan ik had gedacht: ik dacht zelf onder de 32
minuten te kunnen rijden. Waarschijnlijk zijn de weersomstandigheden en het
parkoers zwaarder dan iedereen denkt.







Met zware benen begin
ik aan mijn warming up. Er is geen excuus aan te dragen waarom ik niet in de
beste vorm zou zijn. Maar waarom voelt het dan niet zo? Ik kijk op mijn
hartslagmeter en schrik me te pletter: 135. Ik heb nog geen trap gedaan of ik
zit al op 135. Normaal zit ik op 95! Ik probeer tot rust te komen, sluit de
ogen en probeer toch het ritme te zoeken. Het is toch idioot dat ik me zo laat
pakken door het moment. Het gemak waarmee ik me vorige week afsloot tijdens de
warming up voor het NCK, en waarmee ik me eigenlijk elke keer afsluit door de
luchtige benadering; er is geen spoor van te bekennen. De bassen tetteren in
mijn oren, maar ik hoor de muziek nauwelijks. Ook het feit dat Corrie en
Katelijne er nog niet zijn zit me dwars. Ze kunnen het toch wel vinden? Ze
hebben alle plattegronden tot hun beschikken die ze moeten hebben. De extra
motivatie die ik kreeg toegedient toen ik Corrie langs de kant zag staan
tijdens de Ronde van Brabant, heb ik nu meer dan nodig, en heb er ook mijn hoop
opgevestigd.
Bas rijdt 32:39.
Aardige tijd en eentje die lang zal blijven staan, maar daar kan ik onder. Ik
bereid me voor op mijn 3 blokjes van 2 minuten. De eerste op hartsalg 140, bij
de laatste 2 uitkomend op iets boven omslagpunt. Bij het eerste blokje schiet
de hartslag naar de 162. De moed zakt me een beetje in de schoenen: hoe krijg
ik die hoge hartslagen weg? Heb ik dan toch een verkoudheid of griepje onder de
leden?

Katelijne staat
voor me neus. Ik ben oprecht opgelucht en eenzelfde stoot adrenaline stroomt
door de aderen. In mijn hoofd maakt de hectiek die er al die uren ervoor heeft
rondgedwaald plaats voor rust, terwijl de hartslag hoog blijft, maar dat is in
één keer niet meer belangrijk. Even heb ik het moeilijk als ook Jozef voorbij
komt, maar ben ervan overtuigd dat de gedachte me enkel sterker maakt. Hij zou
morgen 71 zijn geworden. Corrie loopt met haar fototoestel rond, en zeg dat ze
me nog even met rust moeten laten – mijn blokjes moeten wel goed gebeuren.
“Kijken jullie wel uit voor de finishende renners?”, ik moet er niet aan denken
dat er eentje overhoop gereden wordt omdat er onwetende voetgangers achter de
finish rondlopen, die meer oog hebben voor de entourage dan voor aankomende
wielrenners.
De 2 laatste
blokjes maak ik af, de hartslag komt op 173 terecht, en ik voel vertrouwen,
maar het onbevangen gevoel is er niet. Ik wil een ‘Nijeveen’ tijdrit rijden,
maar het idee een halfuur op zo’n hoge hartslag te rijden boezemt me angst in.
Een tijdrit van 24km is heel wat anders dan 12 of 18km. Het idee om door de
rotondecombinatie te scheuren, omdat ik weet dat het mogelijk is, maakt plaats
voor lijfsbehoud: ik moet daar vooral niet vallen.


Hylke heeft naar
eigen zeggen een slecht race gereden. Geen adem, bijna hyperventilerend heeft
hij op de fiets gezeten. Bij iedereen vallen de tijden wat tegen, de
omstandigheden zijn echt zwaarder dan verwacht.
Om 14:50 stap ik
van taxc, en maak me klaar. Bijna routinematig gaat het rugnummer op, de
overschoenen aan, achterwiel vervangen, Steven pompt er 11 bar. “Je moet
stampen op het stuk windtegen. Wat je daar verliest maak je nooit meer goed op
het stuk windmee.”. Ik kijk hem indringend aan, alsof het besef van de woorden
me gratis 5 watt extra geven.
Het volgende
moment sta ik klaar aan de start, met Marco Bos in het vizier. ‘Ik ga je
opeten’, juist dat is de insteek. Ik probeer me rustig te krijgen, de rust die
ik Sankt Johann had. Me nergens druk over maken, een grap kunnen maken zoals
aan de start in Paaslo. Ik sluit m’n ogen en blaas uit. Ja, dit voelt wel goed.
Marco Bos vertrekt, zwaar verzet. Het mijne staat op 19: nooit meer vertrekken
als in Warns, toen het op de 13 stond. “Dertig seconden”. Ik neem diepe
ademteugen. ‘We rammen eerst naar Zuidhorn, dat is het eindpunt, daarna zien we
wel. Een tijdrit van 12km is te doen.’
Bij “5” is er
alleen nog maar de startstreep.








Bij “start” begin
ik mijn trappen te tellen. De benen moeten sneller rond gaan dan het hoofd kan
volgen. Pas dan zet je meer kracht dan je eigenlijk ze willen. In een mum van tijd
heb de 47 bereikt, probeer de eerste bocht zo hard mogelijk te nemen, maar heb
eigenlijk geen idee of dat werkelijk gebeurt. Ik hoor Karin en Sipke iets
roepen, en even later ook Suzanne en Esther. Binnen twee minuten zit de
hartslag in de anaerobe zone, boven de 167. De rotondecombinatie gaat tergend
langzaam, maar gecontrolleerd. Het op gang komen erna duurt langer dan gedacht.
Als dan mijn kilometerteller uitvalt probeer ik hem met de hand aan te duwen,
maar 2 pogingen leveren niets op. Waarom? Waarom? Ik zal verder moetne op de
hartslag, 175, 176. Even komt de teller terug, 42,9 en na de brug verschijnt er
nog eens 42,3. Dat moet harder, ik had gehoopt hier boven de 43 te kunnen
rijden. Maar er staat veel wind, en de 175 is niet van mijn schermpje af te
slaan. ‘Naar de motard toe, misschien merkt ie in een onbewaakt moment niet dat
ik dichterbij ben gekomen’. Ik tuur in de verte en zie de motard van Marco
rijden. Is dat minder dan een minuut. Eigenlijk moet ik het klokken, maar mijn
hersens hebben geen idee hoe ze dat moeten bewerkstelligen. Op dit rechte stuk
is er nauwelijks een aanknopingspunt. Welke lantaarnpaal moet je uitkiezen? En
dan de tijd onthouden die je op je klokje zit verschijnen, en hopen dat je bij
de juiste lantaarnpaal het verschil kunt uitrekenen? Nee, de enige eis die
plaats krijgt in mijn hoofd is de eis dat de hartslag hoger moet. Ik tel mijn
trappen weer, en probeer het ritme op te voeren, sneller dan ik tel.Ik merk dat
ik tel zoals ik adem, niet zoals ik trap. Kennelijk is de ademhaling
belangrijker voor het vinden van ritme, dan de pedaalrondgang. Ik tel tot 100
en begin opnieuw. De hartslag blijft steken op 176, daar waar ik in Sankt
Johann nog niet eens de anaerobe drempel gepasseerd was. Ik heb het gevoel dat
het dramatisch slecht gaat, dat ik ondanks alle moeite die ik er in stop niet
vooruit kom. ‘Juist dan rijd je een goede tijdrit.’ ‘Hier moet je de winst
pakken’.
‘Leegrijden tot
aan Zuidhorn’
Zuidhorn is nog
ver weg, het is geen bemoedigende gedachte.
‘Doorrammen tot
Enumatil, daar staat Jabik en weet ik het verschil’
Dat klinkt
overzichtelijker.
Ik ben
overduidelijk tegen mezelf aan het vechten. Bij elke trap vliegt de keuze door
het hoofd dat ik nu kan stoppen, dat ik nu de berm in kan rijden. En bij elke
trap probeer ik zo diep mogelijk te zitten, zoveel mogelijk spanning op de
pedalen te brengen. Ik tel weer trappen, kom weer tot 100 en begin opnieuw. Bij
binnenrijden van Enumatil staat Jabik langs de kant, zijn handen naar beneden,
wat wil zeggen dat ik ingelopen ben op Marco. ”Bijna 10 seconden”, maak ik op
uit de schreeuw. Even ben ik
verbaasd: hoe kan ik nu 10 seconden voor liggen, terwijl het zo beroerd gaat?
En hoe ga ik deze 10 seconden verdedigen als ik al zo kapot zit? Ik passeer
Léon en naar ik meen andere CS’ers. Ook Léon heeft zijn handen naar beneden.
Hoe weet hij dat dat het juiste teken is? “6 seconden op Marco”. Jabik heeft me
moed in willen praten. Mooi.
Ik sleep me naar
het keerpunt, schakel ver terug, keer en trek op alsof het een sprint betreft.
Ik heb het een aantal keer geoefent, en het gaat niet onaardig, ondanks de
pijnlijke benen en de hoge hartslag. Naar de 50, boven de 50. Even komt de
kilometerteller tot leven, en verschijnt er 46 op het klokje. Ai, dat moet
harder, harder. De 177 maakt plaats voor de 178. Langs de kant van de weg zie
ik Raymond in de auto zitten. ‘Sorry, Raymond het gaat echt niet harder’.
“Zeven seconden, Dim!”, roept Léon in Enumatil. Weer een seconde, mooi dan heb
ik speelruimte voor verval.


Verval?
Uitbouwen! Jabik roept iets over winst. Het geeft me even vleugels, maar na de
bocht is het enige wat ik zie het ellelange rechte stuk naar Groningen. Ver
voor me rookt de suikerfabriek. ‘Als je daar bent, dan ben je er’. Ik gooi de
11 erop, en begin te stampen. De molen is zwaar en ik heb geen idee of ik hard
genoeg rijd. Het landschap is leeg, anders dan proberen het gladste asfalt de
zoeken is er niets waar je motivatie uit kunt putten. Jozef flitst voorbij. Hij
heeft nog niets gezegd, maar er komt vanzelf meer spanning op de pedalen. “Je
moet niet zo zeuren.” ‘Juist, rammen moet je; rammen tot de streep!’
Het punt waar ik
de laatste turbo erop zou gooien vervroeg ik van de brug bij Hoogkerk naar de
Poffert. Ik krijg het idee dat ik meer inloop op Marco, maar het komt niet in
me op om ook achterom te kijken. Hoe ver zit Paul van Steyn achter me? Is hij
ingelopen? Er verschijnt 179 op m’n klokje, en het moet nu toch echt heel snel
afgelopen zijn. ‘Houding?’, diep, ‘Tellen’, ik begin weer te tellen en probeer
het tempo omhoog te krijgen. Maar dat lukt nauwelijks. Het enige wat me gaande
houd is het feit dat ik nog niet bij de finish ben. “Na deze wedstrijd mag je
seizoen in elkaar donderen, dan hoeft er niet meer”, zei Jabik eens, en ik
stamp harder. Ik draai de bocht door bij Hoogkerk. Het is een slechte bocht,
wijk veruit naar de andere baanhelft, bang om over de witte lijnen uit te
glijden. Traag trek ik op. ‘Weg van de gaten, weg van het slechte asfalt. Nog
een bocht, nog een recht stuk en dan zijn de rotondes er al weer.’
De volgende bocht
overkomt me. Ik vergeet te schakelen, moet in de remmen, rijd langs de rand van
het asfalt, en moet met 54x11 optrekken. Shit, fout. Ik kom wel weer op
snelheid, maar het kost tijd, 180 komt op het scherm. De rotondes gaan met de
staart tussen de benen. Niets gestroomlijnde houden, niets op het scherpst van
de snede. Ik zie nauwelijks scherp meer. In de diepe houding, met het hoofd
tussen de schouderbladen, zie ik scheel als ik in de verte staar. ‘Liever dit
dan hoog zitten.’ Ik passeer Esther en Suzanne en met de 54x11 draai ik een
enorm verzet, maar ben bang snelheid te verliezen als ik terug zou schakelen.
Ik tuur naar de finishlijn, de Cycletrend banner, maar zie ‘m niet. Verdomme ik
moet naar de finish! Het moet voorbij zijn! 182 op het scherm, ook zie ik de 32
minuten verschijnen. Het laatste stuk moet in een halve minuut kunnen, ik moet
onder die tijd van Bas kunnen komen. De laatste bocht, 183, en weet niet meer
of ik meer snelheid zou kunnen uit een tijdritpositie of in de sprinthouding.
Ik blijf laag zitten, maar de snelheid lijkt maar langzaam meer te worden.
‘Harkstede, 188,
ik moet naar de 188.’
Langzaam schuift
de Cycletrend banner van links naar het midden van het beeld.
‘De 188 haal ik
niet,
het is echt op,
maar de tijd van
Bas,
minder dan 32:38,
de streep,
ik moet over de
streep.’
Tien meter voor
de streep verschijnt ‘38’ op het scherm, en dat is 10 meter te vroeg.
Uitgewoond dender
ik het stadspark in. ‘Geen 4de, alsjeblieft geen 4de’. Er
overheerst een slecht gevoel, misschien alleen gevoed door het in het duister
tasten over de gereden snelheid. Ik heb geen idee of ik boven de 55 heb
gereden. Als ik terugkeer bij de finish, steekt Steven voorzichtig 3 vingers
op. Hij lijkt teleurgesteld, maar ik kan er niet mee zitten. Ik ben opgelucht,
en blij, blij dat ik geen 4de ben geworden. Marco heeft slecht
gereden en Bas zit nota bene 1,7 seconde voor me. Paul heeft 18 seconden op me
goed gemaakt. In Nijeveen waren het er 13.
Corrie en
Katelijne komen op me af, felicitaties alom. Dan zak ik over mijn stuur, sjonge
wat was dit zwaar.


Als ik mijn fiets
op de taxc zet om uit te gaan rijden is er even consternatie: Edwin Raats is 3de,
en ik 4de. Nee, het zal toch niet? Met ingehouden teleurstelling pak
ik mijn wiel in. “Sorry, ik dacht dat Raats achter je zat”, probeert Steven.
Daar waar Steven ontplofte toen ik in Oostenrijk hem mededeelde dat zijn tijd
met 2 seconden was verbeterd, berust ik in mijn lot: vierde, waar ik me 3 weken
titelkansen had toegedicht. Maar daar waar het in Oostenrijk op een misverstand
berustte, is dat hier ook het geval: Raats is 1,4 seconde langzamer... Nog een
foute bocht was me fataal geworden.
Ik geniet met
volle teugen van de ceremonie. Het interview is speciaal: hoewel voor een
select gezelschap toeschouwers, het is wel mijn interview. Het voelt geweldig.
Applaus bij de medaillehuldiging, het Wilhelmus, bloemen. Het is genieten met
een grote G. Hoewel het gemiddelde tegenvalt, en het een grote verrassing is
hoe hard Bas heeft gereden, kan ik alleen maar blij zijn. Misschien had er meer
ingezeten onder andere omstandigheden, maar vandaag zat ik echt aan mijn
maximum.





Corrie heeft
naast de bloemen ook een cadeautje meegenomen. Een gouden doosje met een grote
strik, gevuld met bonbons. “Ik heb speciaal gevraagd voor veel melk
chcocolade.”
Mensen, wat ga ik
daar straks van genieten.