Een verslag van het Wereldkampioenschap Tijdrijden voor Amateurs,

                                                 St. Johann, Oostenrijk, 22 Augustus 2007

 

 

 

St. Johann en omstreken

 

Het is gewoon maar een wedstrijdje. Wel in Oostenrijk, maar niet veel anders dan zo hard mogelijk de Alpe d’Huez oprijden, of mee doen aan een tijdrit in Warns.

 

Het bergje kun je met 54x18 nemen. Je komt met zo’n 47, 48km/u aan, dan schakel je langzaam terug, de snelheid zakt terug naar ongeveer 31km/u. Halverwege ga je staan. Je verliest zo het minste snelheid, en belangrijker: je houdt je iets in, want de heuvel loopt vals plat verder. Als je te veel geeft op de heuvel verlies je op het vals plat erg veel tijd.

 

Het is iets meer dan 20km. Hoeveel tijdritten heb ik al gereden die ook 20km zijn? Kortom, ik weet wat het is om een klein half uur af te zien. Natuurlijk zit je op een kwart al aan je maximum en als je goed bent kun je gewoon doorgaan.

 

Het keerpunt neem ik met 54x16. Je moet in de ankers, je staat echt bijna stil. Even een paar keer ademhalen, en dan langzaam opbouwen voor de afdaling. In de training was daar 70km/u mogelijk, op de 11. In de wedstrijd moet het toch ook met 65km/u kunnen. Zo compenseer je de 30km/u bergop en kom je op 45km/u gemiddeld. Daarnaast kun je daar, mits je je niet hebt opgeblazen, de 11 er lang laten opliggen wat gewoon tijdwinst is.

 

Ik ben nog niet top: de cyclo’s van juni en juli vergen nu eenmaal een andere inspanning, en ben een goede maand bezig met specifiekere trainingen, maar het hoogtepunt van de vorm is er pas echt eind September. Kortom, het is een leuk wedstrijdje, maar een topprestatie wordt het gewoon niet.

 

Het is echt verneukeratief: je gaat vals plat omhoog gewoon harder dan vals plat naar beneden. Het heeft alles met de wind te maken: Je hebt wind tegen als je naar beneden gaat, waardoor de snelheid rond de 46 blijft steken. Maar op de terugweg vlieg je met de wind in de rug naar de 50 toe, terwijl het profiel duidelijk een steiging laat zien. Het lijkt erop dat je 4km voor de finish de 11 erop kunt gooien en de finale kunt laten beginnen. Het moet met 50 kunnen, gewoon denken ‘in een kleine 5 minuten is het voorbij’.

 

Route en hoogteprofiel

 

18-8-2007

Met een noodgang vliegen we door Duitsland en komen rond 16:00 aan in Erpfeldorf, nabij Sankt Johann. We zitten in een klein pension, weg van de toeristische drukte van Sankt Johann. De enige andere gasten is een Zweeds stel op leeftijd, waarvan de man niet helemaal meer bij de pinken is. Wat moeten die mensen hier?

We doen een kleine training vana een uur, een soort parkoers verkenning. Steven vliegt met een noodgang over het parkoers, ik sta geparkeerd. Mijn benen zitten nog in de auto. Ze voelen zwaar, als lood.

 

De UCI heeft voor alles een regelement. Stand van zadel en lengte van stuur is discrimerend voor lange renners. (Gewichtsregelement daarintegen is discriminerend voor lichte renners.)

 

19-8-2007

Steven bouwt mijn hele fiets om, naar de UCI maatstaven. Als ik zie wat er allemaal moet gebeuren, trek ik mijn haren uit het hoofd: waarom heb ik dit niet eerder laten doen? “Je hebt het gewoon op z’n beloop gelaten”. Dat is helemaal waar: ik had meer dan tijd genoeg om dat goed voor elkaaar te hebben. Ik mag al het immateriële bedanken dat hij al het gereedschap en kennis heeft meegenomen om het voor elkaar te krijgen. Er wordt 4,5cm van mijn Zipp stuur gezaagd (maximale lengte 80cm), kabels moeten worden ingekort, en mijn zadel moet worden gevangen (punt van het zadel moet 5cm achter het bracket zitten, ik zat er tot nu voor). Het kan in het voorste gat van de zadelpen blijven zitten, het scheelt niets. Ik heb 1 millimeter over. Steven:“Het achterste gat blijft je bespaart”. ‘Het laatste gat, hmm, een mooie titel voor een stukje over het WK. De context verzinnen we er wel bij.’

 

De grote vriendelijke beul zorgvuldig aan het werk.

 

De testrit wordt een hel. Een zeer pijnlijke 3de bal drukt op het zadel en de benen zijn van lood. Bij elke inspanning (zelfs traplopen) stromen de benen vol, een teken voor de hersens om een stopsein te doen uitgeven. Steven ramt weer over het parkoers en ik kan hem met geen mogelijkheid volgen, laat staan in zijn wiel meedraaien. Wat is er aan de hand? Is het de 3de bal? Is het te weinig slaap? Is het de presentatie voor mijn werk die ik nog moet versturen en waar ik morgen voor naar Sankt Johann moet?

Tijdens een koffiepauze zijn onze P3 een attractie en een Duitser op leeftijd komt ongevraagd aan ons tafeltje zitten. Hij heeft al een aantal keer mee gedaan aan het WK en is zelfs al wereldkampioen geweest in zijn klasse. Zijn vrouw trouwens ook. Hij wijst naar een dame met grijs haar, genietend van haar koffie. Hij kent Jan Ullrich persoonlijk en heeft zelfs een fiets van hem gekregen.

“Op een dag stond hij plotseling voor mijn deur. Hij heeft dit jaar een nieuwe tijdritfiets aangeschaft, op maat laten maken. Vijf-en-veertig duizend euro!”

“Wat?!”, roep ik, “Vijf-en-veertig duizend euro?”. Hij schrikt:”Nou ja, hij heeft hem op maat laten maken he.” Ik weet niet wat ik er van moeten denken, maar het ruikt naar een broodje.

 

20-8-2007

Het is snertweer. Het regent de hele dag, en we kunnen niets anders doen dan wachten tot het beter weer wordt. Daarom rijden richting Salzburg om een 11 voor Steven te kopen, die hij vergeten was mee te nemen. Het parkoers is heuvelachtiger dan hij had verwacht en scheldt zichzelf de huid vol dat hij dat ding vergeten is. Aan de B20, bij Freilassing, net over de grens in Duitsland, vinden we een cassette met een 11, en keren dus succesvol huiswaarts.

Ik rijd naar Sankt Johann om mijn presentatie naar mijn werk te mailen. Het heeft heel wat voeten in de aarde, maar om 15:00 is het toch gelukt. Ik besluit dat het afgelopen moet zijn met het gemiep en dat ik dadelijk gewoon ga knallen. Ik zet al het verstand opzij, en we werken een goede training af. De benen zijn wakker, na een lange warming-up. Misschien was het dat wel, gewoon geen goede warming-up. “Je kunt er eigenlijk gewoon op vertrouwen: als je de training er in gestopt hebt, dan moet het er gewoon uit kunnen komen. Het vermogen zit er gewoon in” Mijn humeur is omgeslagen: laat die tijdrit maar komen!

 

21-8-2007

De zon schijnt! Terwijl er toch enigszins grauw weer voorspeld was. Direct profiteren en we doen een korte training in de morgen, na het ontbijt. Het lijkt met de snelheid wel goed te zitten, dus we keren met vertrouwen terug naar ons pension.

’s Middags halen we onze nummers op, en melden we onze afwijkende maten. Als we ons 2 uur voor de start bij de UCI waarnemers melden en ze kunnen controleren dat het allemaal OK, dan zullen we geen stress krijgen. Steven moet om 14:33 starten, ik om 15:30. Jan Brander loopt er rond, Henny Rovers ook. “Je kunt beter vroeg starten: de wind neemt alleen maar toe, in de middag” Steven countert met: “Elk nadeel heb z’n voordeel”. Het zal me allemaal een zorg zijn: ik ga me gewoon helemaal leeg rijden. Wat er op duidt dat het met het hoofd wel goed zit. 

Tijdens het galgenmaal nemen we de planning door voor morgen. Logistiek vergt het enig denkwerk, omdat we vanavond de auto al bij de start willen hebben staan. “Als er geen podium bij zit, dan kunnen we rond 17:00 vertrekken.” Waarbij we allebei vergeten dat de top-15 bekers mee naar huis zullen nemen.

 

 

22-8-2007

Zeben und zwansig zieben und funzig, fur startnummer dreihunderd vier und driesig, eine neue bestzeit fur die categorie damen!

 

De officiële start. Jury-caravan, UCI controleurs meten de fietsen na, tijden worden geregistreerd.

 

 

Uit de speakers schallen de tijden ons tegemoet. Op een parkeerplaats, zo’n honderd meter van de start hebben we gisterenavond de auto neergezet. Een perfecte plek nu blijkt, want de hele straat en alle parkeerplekken eromheen staan vol met auto’s, campers, taxcen en publiek. . De plek naast ons wordt bezet door een camper met luifel van de heer J. Füsch, die net ver genoeg wegstaat om niet nog een auto er tussen te krijgen. Kortom plek genoeg om in de schaduw in te fietsen voor ons, en de man naast ons.

Bij de start laten we onze fietsen even controleren. We willen niet 3 minuten voor de start, wanneer de controle daadwerkelijk plaatsvind voor verrassingen komen te staan. OP het oog wordt de 80cm gecontroleerd. Met één hand wordt de loodlijn langs de punt van het zadel gehangen. Hoewel het lood nog op en neer zwenkt, knikt hij. “Das ist ok” We zijn allebei sprakeloos – hebben we hier dan voor in de stress gezeten? Zijn dit nu de UCI controles?

We lopen wat rond, eten wat, we proberen de zenuwen in bedwang te houden: Steven voelt de zenuwen opkomen, ik probeer me niet teveel door de omstandigheden te laten leiden: toch komen met vlagen vlinders in de buik langsvliegen. We hebben zeeen van tijd. Op zich is dat goed, maar toch gaat vervelen. Een uur voor dat je de taxc op moet leg je alles al klaar voor het inrijden. Schoenen, drinken, ipod. Het hele ritueel duurt 5 minuten waarna je nog 55 minuten moet overbruggen...

 

Italiaanse deelneemster wordt geïnterviewd. Massa’s mensen bij de finish.

 

Bij de start staat een Italiaans televisie station een Italiaanse te interviewen. Ze hebben het goed voor elkaar, daar  in Italie. Net als bij de Dolomieten Maraton is er pers aanwezig. Er wordt kennelijk voldoende rugbaarheid aan gegeven.

Bij de start zie ik een renner met een NWVG shirt starten. “Kom op he, rammen!”, roep ik hem toe, waarna hij uit zijn toe-clip schiet. Weg top-tijd. Ik merk dat de shift van onze UCI waarnemers van eerder op de dag er op zit. Ik kan slechts hopen dat deze agenten dezelfde interpretatie van de regels hebben, in de geest van de wedstijd.

 

Klaar voor de warming-up

 

13:15.

Het wordt warm. De schaduw trekt zit steeds verder terug onder de luifel en de tube van mijn voorwiel wordt warm in de zon. Ik gooi er een deken overheen: het zou niet de eerste keer zijn dat een band klapt omdat de zon er te lang op staat.

“Ik klim er maar eens op denk ik.” Steven heeft nog een uur. Het tijdritpak slobbert enigszins en dus gaat de schaar er in. We plakken de ingekorte mouwen af, en het geheel zit weer strak om het lijf. Over een uur moet ik de taxc op. Wat ga ik het komende uur doen?

Ik zet alles klaar, om zo niets meer te heoven doen als ik de taxc af kom. Ik pomp mijn tubes op tot 10 bar en haal mijn vingers genadeloos open aan de vooorspaken als ik de pomp er uit trek. Zelfs ronde spaken kunnen dan vlijmscherp zijn. ‘Bloed voor de wedstrijd, kan alleen maar goed zijn.’

Ik loop wat rond met de ipod op, en dans licht met de muziek mee. Pompende bassen laten me langzaam in trance komen. Ik zie Irene Wüst voor me, die zich staat op te pompen in de binnenring tijdens een staatswedstrijd. Ja, zo doet zij dat ook: ik heb een topsportmomentje.

 

14:15.

Steven komt van zijn taxc, ik klim op de mijne. Eerst maar eens een kwartiertje infietsen, lekker los, gewoon op de fiets zitten. Mijn belevingswereld vernauwd en hoor eigenlijk niet meer wat Steven zegt als hij richting de start loopt.

“Steven, kick ass, en houd je in op het heuveltje”  Het is het enige wat ik kan verzinnen dat ik hem mee kan geven. Hij weet donders goed hoe hij een tijdrit van 20km moet indelen, alleen de omtandigheden van een WK zijn nieuw. Hij steekt zijn duim omhoog, en is weg.

 

0,5PK, klaar voor de start.

 

14:33.

“Und der start von nummer 613, Sloof Steven.” Ik voel een zucht van opluchting. De UCI waarnemers hebben bij de start controle niets onregelmatigs gevonden. Samen met Steven leg ik het eerste deel af. Ik doe een blokje op hoge hartslag, de spieren moeten zo langzemerhand wakker worden, en wennen aan de kwelling die hen te wachten staat. De eerste minuut zit mijn hoofd nog achter Steven op het parkoers, de 2de minuut tuur ik naar de Scott van de Füchs die op het kleine blad warm aan het rijden is. De altijd terugkerende vraag komt voorbij: moet ik dit een half uur vol houden? De ervaring geeft het antwoord: als je het goed in de warming-up, dan kan dat wel. Ik ben blij dat ik de 2 minuten heb gehaald, en haal de druk van de benen.

 

 

 

14:57

Steven is 24 minuten onderweg. Ik zet mijn ipod uit en luister naar de speaker. Over 1,5 minuut moet hij ongeveer binnen komen. De speaker murmelt wat tot dat:

“Oow! Das ist eine scharfe zeit. Die erste man unter den 25 minuten. Vier-und-zwanzig minuten zwei-und-funzig. Steven Sloof, neue bestzeit!”

“Ja, er had es geschaft, neue bestzeit”, roep ik tegen Füchs. Vier-und-zwanzig minuten zwei-und-funzig. “Was? Waanzin!”, is het antwoordt ietwat afwezig. Hij moet immers om 15:03 starten. “Gute schance!”, roep ik hem toe.

Glunderend komt Steven 10 minuten later richting auto gelopen. Het begin is verschikkelijk zwaar: de wind is aangewakkkerd omdat het bergaf gaat wil je toch snelheid maken. Op het bergje is hij teruggeschakeld naar het kleine blad, en tot overmaat van ramp dacht hij dat hij lek was gereden. Het sissende geluid kwam van een blaadje dat tussen frame en achterwiel kwam te zitten en er niet direct uit wilde. Pas toen hij door kreeg dat zijn achterband niet leeg liep, is hij weer gaan knallen, maar dan wel zo hard, dat hij de snelste tijd neerzette.

“We praten straks verder, ik moet me nog even concentreren”, verontschuldig ik me. Hoe hard kan ik rijden als hij sub-optimaal op 24’52” uitkomt. Bij de laatste training, was het verschil toch niet zo groot?

Het laatste blokje op vermogen gaat moeizaam. Verdomme, wat is dat nou? Ik wil de honger van Nijeveen hebben. Het is nota bene even lang!

 

15:15

“Het is kwart over drie, je moet eraf, je moet om half vier starten, die 15 minuten heb je echt nodig. Steven stelt mijn versnellingen nog eens af op mijn Zipp wiel. Ik hoor de speaker ‘vier und zwansig funzig’zeggen. “24 50”, zeg ik, denkende dat Stevens tijd aan flarden is gereden.

 

Steven ontploft.

 

Hij staat stampvoetend te vloeken. Hij is furieus. “Ik heb het gewoon laten liggen! Ik had ‘m gewoon!”. Ik kijk naar een man die zojuist beseft dat hij zijn enige kans op een wereldtitel zelf heeft verkwanseld. Even denk ik dat hij zijn P3 tegen de grond zal smijten. Zoveel woede straalt zijn houding uit.

Ik kan niets voor hem doen, ik moet naar de start.

Ik kijk 5 seconden rond, of ik niets vergeten ben. Nee, behalve een helm en overschoentjes heb ik helemaal niets nodig. Handschoenen zijn niet aero, en ik moet het een half uur zonder drinken doen. Bij de controle wordt mijn fiets in orde bevonden. Er staan nog 4 wielrenners voor me: dus nog 2 minuten voor de start. Mijn versnelling staat op 54x19. Ik schakel eentje af: we starten van een podium, dus je hebt direct snelheid. De 18 zal groot genoeg zijn. Ik probeer me op te laden voor de start. Ik kijk naar het scorebord, en zie Steven’s tijd nog steeds bovenaan staan. “Sorry!”, roep ik. Steven glimlacht, hij heeft zich bij de start geposteerd. Uiteraard om te kijken of zijn tijd houd, maar ook om mij weg te zien rijden. Hij is nog steeds de enige die het gepresteerd heeft onder de 25 minuten te rijden. Naast hem staat Jan Brander, zeker van zilver in de categorie 60+.

Verdomme, ik zou willen dat ik het gevoel van Nijeveen had. Martin Ganglberger vertrekt, ik heb nog een halve minuut. Ik word vast gehouden bij het zadel en klik de schoenen in de pedalen. Ik voel één en al rust, alsof de tijdrit er al op zit. Het is domweg een kwestie van hard rammen op de heenweg, de terugweg zal vanzelf gaan. De heenweg moet gewoon hard. “Funf, vier.” Damn, ik moet al.

<0,5 PK klaar voor de start

 

Ik neem een paar snelle ademteugen, en bij nul ram ik het podium af. 54x18 blijkt perfect.

“Hard zijn voor jezelf he! Vakantie is over”, hoor ik Steven roepen. “Kom op, kom op”, met een felheid, met eenzelfde furieusheid als net bij de auto. Het geeft me vleugels: ik moet sneller weg van die woorden dan ik nu doe, weg van de start. Binnen mum van tijd op 53 km/u. Na 500 meter is de eerste bocht naar rechts en plots knalt de wind er boven op. Het helmgras in de berm ligt bijna horizontaal in de grond gedrukt. Jezus, zoveel wind heeft er de hele week nog niet gestaan, sterker nog, vanochtend was het windstil! De snelheid zakt naar 47, en een minuut later zie ik de eerste 43-er op mijn klokje verschijnen, terwijl ik het bordje ‘1km’ passeer. Nog 19 te gaan. Negentien. De moed zakt me een beetje in de schoenen. De benen lopen vol en de hartslag stagneert op 166. Ik voel de P3 balanceren op de wind- en zwaartekracht, als een surfzeil tegen de wind. De wind komt even van opzij, maar daarmee niet minder vervelend. Ik trek op naar 46 en kan dat vasthouden. De hartslag zit op 169 en ben ervan overtuigd dat ik niet hoger kan. Ik krijg mijn wil niet omgebogen om harder te stampen, terwijl ik weet dat het moet kunnen. Bij het eerste klimmetje schakel ik een tandje terug, en meteen nog twee. Ik zit op 54x15, iets wat ik van te voren niet had gepland, op dit stuk. Ik zie 39, 38 zelfs 36 verschijnen. Mijn god, dit gaat helemaal mis! Ik sleur mezelf als een stervende zwaan naar boven, gevuld met gevoel voor theater. Laat ook maar, dit wordt ‘m niet. Ik rijd hier toch geen top 5, dus wat kunnen die seconden mij schelen!

Ik krijg een eerste voorganger in het vizier en dat geeft zowaar moraal. De snelheid kruipt weer richting de 46, en een bordje ‘6km’ zoeft voorbij. Meestal zijn dit soort bordjes een hele goede motivatie, maar hier zijn ze slechts demotiverend. Nog 14km, in dit moordende tempo, met benen die maar niet willen draaien. De weg draait met een lange bocht naar links en dan volgt de lichte prelude bergop, gevolgd door het zware werk van 8%. Per 5 seconden vliegt er 2 km/u af. De voorganger vlieg ik voorbij. Op een kwart van het klimmetje schakel ik naar 54x18, en halverwege ga ik staan. De snelheid zakt naar 25, terwijl ik tijdens de trainingen na 10x op 54x14 constant de 30 haalde.

 

 

Wat een klereding! Ik ga snel weer zitten als ik het snelste gedeelte heb gehad en probeer vaart te maken richting keerpunt. Net voor het keerpunt haal ik een tweede voorganger in, terwijl de renner die 30 seconden voor mij gestart is, me tegemoed snelt. ‘Het verschil klokken, en dan er naar toe rijden’. Ik gooi de 11 erop en maak vaart om in de afdaling zo hard mogelijk te kunnen. De teller blijft steken op 70,2km/u, en ik probeer het zo lang de 11 er op te houden. Het bordje met ‘8km’ komt wel heel snel na de ‘9km’. ‘Nog even en we zijn bij de 5, dan is het bijna voorbij!’ Een kleine glooiing in het parkoers noopt me om de 12 te schakelen, maar het begint dan eindelijk te draaien. Ik klok het verschil met mijn voorganger en hij lijkt 40 seconden voor me te liggen. Het blijkt maar weer dat ik een prooi nodig heb, want het idee dat hij voor me zal eindigen is er een dat ik niet kan verteren. Ik passeer het ‘bruggetje van 4km’, het punt waar we tot de conclusie waren gekomen dat vanaf dat punt alles gegeven moest worden.

Ik gooi de 11 er weer op, en probeer het beenritme omhoog te krijgen. De 50 verschijnt weer, en snelt door naar 54km/u. Mijn voorganger is een puntje aan het eind van het enalaatste lange rechte stuk. ‘Je bent gewoon beter dan hij, je kunt gewoon harder’, bedenk ik me. Het is de eerste keer dat ik zo positief ben over mezelf tijdens een wedstrijd. Waar komt dat vandaan? Is het zo slecht dat ik mezelf uit het dal probeer te praten? Probeer ik me op een voetstuk te plaatsen, de legereenheden te overzien en mezelf zien gloreren op een veld gevuld met kruitdampen en kermende tegenspelers? Tegenspelers die zichzelf kapot getrapt hebben. Als dat zo is fiets ik niet hard genoeg! Ik moet zelf bij de kermende liggen, erger geleden hebben, maar daarmee wel harder gefietst.

Toch stel ik het point-of-no-return uit totdat ik het bordje 2km voor me zie. Ik verhoog het beentempo, en de teller schiet mede met dank aan het laatste stukje vals plat naar beneden van 47 naar 56km/u. De hartslag bereikt de 170, en besef dat ik dit in het begin had moeten hebben. Ik probeer een zo lelijk mogelijke grimas op te zetten, zodat de toeschouwers kunnen zien dat ik geleden heb. Sjonge, dat ik daar de tijd voor heb om over na te denken.

Ik zet wel een ‘neue bestzeit’ neer maar niet onder de 26 minuten. Iets waar ik me vantevoren wel toe in staat had gesteld. Teleurgesteld in mijn mentale hardheid rijd ik linea recta terug naar de taxc, wissel achterwiel en rijd uit. Steven komt naar me toe gesneld. Ik heb weinig meer woorden voor mijn rit anders dan ‘te lage hartslag’, ‘kreeg ‘m niet omhoog’. Het lukte domweg niet. Het liefst wil ik een directe verklaring, die ik met ‘o, dáárom lukte het niet’ kan beantwoorden. Dat zou de teleurstelling snel kunnen doen vergeten. Ach, teleurgesteld, ik ben eigenlijk helemaal niet teleurgesteld – zo belangrijk was het helemaal niet. En toch knaagt het dat je op een WK, een WK!, niet er uit haalt wat er in zit.

Ik kan me de teleurstelling van een topsporter helemaal voorstellen. Natuurlijk, zij zouden de ervaring om zich heen verzameld moeten hebben, maar toch kan het mis gaan. Dat ligt dan aan hun zelf in veel van de gevallen, maar je moet wel de trots van de natie met je mee torsen als er weer zo’n verslaggever hijgend aan je komt vragen ‘waarom dit soort fouten op dít niveau nu toch nog kunnen gebeuren’. Hoewel ik een pesthekel heb aan Frank de Boer-argumenten als “op dit niveau mogen dit soort fouten niet voorkomen”, omdat ik altijd het idee had dat hij daarmee de slappe Nederlandse sportmentaliteit probeerde te verdoezelen, begin ik te accepteren dat dit soort fouten altijd blijven voorkomen, omdat het mensenwerk is.

 

17:30

“Und wir haben eine Vice-Weltmeister!”. Steven is 2de geworden. Alleen Jens Volkmann is hem voorbij gestreefd, en hoe: maar liefst 40 seconden sneller. Volkmann, ook al eens eindwinnaar in de Trois Ballons en de Trans Alp, rijdt hier iedereen naar huis met een gemiddelde van 49,65km/u

We komen terug bij ons pension, waar ik de Steven introduceer als Vice-Weltmeister. De onhandigheid druipt van het echtpaar af. Een schuchter ‘Gratuliere’, kan er vanaf, maar verder weten ze zich geen houding. Toch wordt Steven direct voorgesteld aan zoon- en schoondochter. Ze zijn maar wat trots dat ze een Vice-Weltmeister in huis hebben gehad.

 

In gesprek met Jen Volkmann, man van 49,65km/u

 

20:15

Na lang wachten begint de officiële ceremonie dan toch echt. Op het podium staat een hele trits bekers. Vlaggen hangen strak gedrappeerd aan de muur. Fransesco Moser wordt als beschermheilige aangekondigd en een hele rits hoogwaardigheidsbekleders passeren de revue, van UCI-mitgliet tot loco-burgermeester van Kreis St. Johann. Het hele dorp lijkt uitgelopen te zijn, het plein staat vol met mensen.

De huldigingsceremonie. Jan Brander wordt op 20” 2de in zijn categorie.

 

Hebbes!

 

Toch nog een beker.

 

Als dan de eerste wereldkampioenstrui wordt uigereikt aan de wereldkampioen boven de 70 jaar, door Moser hemzelf begint bij mij wel iets te kriebelen: Verdomme, dit is gewoon het WK. Natuurlijk heeft het niet de uitstraling van een WK va de profs. So what? Dit is voor werkende mensen het hoogst haalbare. En natuurlijk is er maar een select gezelschap afgereisd naar Oostenrijk. So what? Ik leef mee met Steven dat hij niet die trui zal mogen aantrekken. Ik wens hem vurig toe dat Moser wel zijn beker uitreikt.

Maar Moser heeft meer oog voor de vrouwencategorien en houdt het na de helft van de ceremonie voor gezien. Jammer, wij zullen het moeten doen met een UCI-arts en UCI-mitgliet.

 

22:15

Mijn categorie 30-39jaar is als laatste aan de beurt, en de meeste mensen zijn al huiswaards gekeerd. Het kan mij niet deren. Als mijn naam door de speakers schalt loop ik het podium op om mijn beker op te halen.. Voor iedere top-15 is er een beker.

We vangen de reis richting huis aan, en zetten rond 1:00 de auto rond Nürnberg langs de kant. Wat een evenement. Alles liep op rolletjes, kortom zeer voor herhaling vatbaar.

 

Enigszins zorgwekkend blijft toch mijn instabiele mentale hardheid. Soms is het er, soms is het er niet. Van te voren is niet in te schatten wanneer het er is, en wanneer het er niet is. Hoewel ik onderhand weet wat er voor nodig is om mijn lichaam hard te laten fietsen, kan ik het niet altijd opbrengen om me ook echt zoveel pijn te doen. In welke mentale modus operandi moet je zitten om jezelf ervan te overuigen dat je het komende half uur een zodanige inspanning kúnt leveren ondanks het feit dat je na 1 minuut al boven je omslagpunt zit, en je niet lekker meer op je fiets zit. Het antwoord is al nadenkende ook gevonden: je moet willen. Als je het wilt is een half uur niet lang. Als je wilt kun je tijdens trainingen ook een trap harder. En dus twee, want die ene was blijkbaar toch al mogelijk geweest.

Dus waar eindigt het? Waarschijnlijk is tijdens een enkele training een limiet redelijk snel gehaald. Op een gegeven moment is het lichaam fysiek niet meer in staat om nog meer energie te leveren. Maar op de langere termijn lijkt mij de limiet veel onzekerder dan je op basis van een training zou kunnen concluderen. Of op basis van één jaar wedstrijden rijden. Uiteraard is er al veel academisch-waardig onderzoek aan besteed, maar zo lang je je daar niet aan waagt, blijven dromen tastbaar. Misschien is dat wel de grootste bron van wilskracht die een sporter zich kan wensen.