
Een
verslag van het Wereldkampioenschap Tijdrijden voor Amateurs, 



St. Johann en
omstreken


Het is gewoon maar
een wedstrijdje. Wel in Oostenrijk, maar niet veel anders dan zo hard mogelijk
de Alpe d’Huez oprijden, of mee doen aan een tijdrit in Warns.
Het bergje kun je met
54x18 nemen. Je komt met zo’n 47, 48km/u aan, dan schakel je langzaam terug, de
snelheid zakt terug naar ongeveer 31km/u. Halverwege ga je staan. Je verliest
zo het minste snelheid, en belangrijker: je houdt je iets in, want de heuvel
loopt vals plat verder. Als je te veel geeft op de heuvel verlies je op het
vals plat erg veel tijd.
Het is iets meer
dan 20km. Hoeveel tijdritten heb ik al gereden die ook 20km zijn? Kortom, ik
weet wat het is om een klein half uur af te zien. Natuurlijk zit je op een
kwart al aan je maximum en als je goed bent kun je gewoon doorgaan.
Het keerpunt neem ik met
54x16. Je moet in de ankers, je staat echt bijna stil. Even een paar keer
ademhalen, en dan langzaam opbouwen voor de afdaling. In de training was daar
70km/u mogelijk, op de 11. In de wedstrijd moet het toch ook met 65km/u kunnen.
Zo compenseer je de 30km/u bergop en kom je op 45km/u gemiddeld. Daarnaast kun
je daar, mits je je niet hebt opgeblazen, de 11 er lang laten opliggen wat
gewoon tijdwinst is.
Ik ben nog niet
top: de cyclo’s van juni en juli vergen nu eenmaal een andere inspanning, en
ben een goede maand bezig met specifiekere trainingen, maar het hoogtepunt van
de vorm is er pas echt eind September. Kortom, het is een leuk wedstrijdje,
maar een topprestatie wordt het gewoon niet.
Het is echt
verneukeratief: je gaat vals plat omhoog gewoon harder dan vals plat naar
beneden. Het heeft alles met de wind te maken: Je hebt wind tegen als je naar
beneden gaat, waardoor de snelheid rond de 46 blijft steken. Maar op de
terugweg vlieg je met de wind in de rug naar de 50 toe, terwijl het profiel duidelijk
een steiging laat zien. Het lijkt erop dat je 4km voor de finish de 11 erop
kunt gooien en de finale kunt laten beginnen. Het moet met 50 kunnen, gewoon
denken ‘in een kleine 5 minuten is het voorbij’.


Route en
hoogteprofiel
18-8-2007
Met een noodgang
vliegen we door Duitsland en komen rond 16:00 aan in Erpfeldorf, nabij Sankt
Johann. We zitten in een klein pension, weg van de toeristische drukte van
Sankt Johann. De enige andere gasten is een Zweeds stel op leeftijd, waarvan de
man niet helemaal meer bij de pinken is. Wat moeten die mensen hier?
We doen een
kleine training vana een uur, een soort parkoers verkenning. Steven vliegt met
een noodgang over het parkoers, ik sta geparkeerd. Mijn benen zitten nog in de
auto. Ze voelen zwaar, als lood.



De UCI heeft voor
alles een regelement. Stand van zadel en lengte van stuur is discrimerend voor
lange renners. (Gewichtsregelement daarintegen is discriminerend voor lichte
renners.)
19-8-2007
Steven bouwt mijn
hele fiets om, naar de UCI maatstaven. Als ik zie wat er allemaal moet
gebeuren, trek ik mijn haren uit het hoofd: waarom heb ik dit niet eerder laten
doen? “Je hebt het gewoon op z’n beloop gelaten”. Dat is helemaal waar: ik had
meer dan tijd genoeg om dat goed voor elkaaar te hebben. Ik mag al het
immateriële bedanken dat hij al het gereedschap en kennis heeft meegenomen om
het voor elkaar te krijgen. Er wordt 4,5cm van mijn Zipp stuur gezaagd
(maximale lengte 80cm), kabels moeten worden ingekort, en mijn zadel moet
worden gevangen (punt van het zadel moet 5cm achter het bracket zitten, ik zat
er tot nu voor). Het kan in het voorste gat van de zadelpen blijven zitten, het
scheelt niets. Ik heb 1 millimeter over. Steven:“Het achterste gat blijft je
bespaart”. ‘Het laatste gat, hmm, een mooie titel voor een stukje over het WK.
De context verzinnen we er wel bij.’


De grote
vriendelijke beul zorgvuldig aan het werk.
De testrit wordt
een hel. Een zeer pijnlijke 3de bal drukt op het zadel en de benen
zijn van lood. Bij elke inspanning (zelfs traplopen) stromen de benen vol, een
teken voor de hersens om een stopsein te doen uitgeven. Steven ramt weer over
het parkoers en ik kan hem met geen mogelijkheid volgen, laat staan in zijn
wiel meedraaien. Wat is er aan de hand? Is het de 3de bal? Is het te
weinig slaap? Is het de presentatie voor mijn werk die ik nog moet versturen en
waar ik morgen voor naar Sankt Johann moet?
Tijdens een
koffiepauze zijn onze P3 een attractie en een Duitser op leeftijd komt
ongevraagd aan ons tafeltje zitten. Hij heeft al een aantal keer mee gedaan aan
het WK en is zelfs al wereldkampioen geweest in zijn klasse. Zijn vrouw
trouwens ook. Hij wijst naar een dame met grijs haar, genietend van haar
koffie. Hij kent Jan Ullrich persoonlijk en heeft zelfs een fiets van hem gekregen.
“Op een dag stond
hij plotseling voor mijn deur. Hij heeft dit jaar een nieuwe tijdritfiets
aangeschaft, op maat laten maken. Vijf-en-veertig duizend euro!”
“Wat?!”, roep ik,
“Vijf-en-veertig duizend euro?”. Hij schrikt:”Nou ja, hij heeft hem op
maat laten maken he.” Ik weet niet wat ik er van moeten denken, maar het ruikt
naar een broodje.
20-8-2007
Het is snertweer.
Het regent de hele dag, en we kunnen niets anders doen dan wachten tot het
beter weer wordt. Daarom rijden richting Salzburg om een 11 voor Steven te
kopen, die hij vergeten was mee te nemen. Het parkoers is heuvelachtiger dan
hij had verwacht en scheldt zichzelf de huid vol dat hij dat ding vergeten is.
Aan de B20, bij Freilassing, net over de grens in Duitsland, vinden we een cassette
met een 11, en keren dus succesvol huiswaarts.
Ik rijd naar
Sankt Johann om mijn presentatie naar mijn werk te mailen. Het heeft heel wat
voeten in de aarde, maar om 15:00 is het toch gelukt. Ik besluit dat het
afgelopen moet zijn met het gemiep en dat ik dadelijk gewoon ga knallen. Ik zet
al het verstand opzij, en we werken een goede training af. De benen zijn
wakker, na een lange warming-up. Misschien was het dat wel, gewoon geen goede
warming-up. “Je kunt er eigenlijk gewoon op vertrouwen: als je de training er
in gestopt hebt, dan moet het er gewoon uit kunnen komen. Het vermogen zit er
gewoon in” Mijn humeur is omgeslagen: laat die tijdrit maar komen!
21-8-2007
De zon schijnt!
Terwijl er toch enigszins grauw weer voorspeld was. Direct profiteren en we
doen een korte training in de morgen, na het ontbijt. Het lijkt met de snelheid
wel goed te zitten, dus we keren met vertrouwen terug naar ons pension.
’s Middags halen
we onze nummers op, en melden we onze afwijkende maten. Als we ons 2 uur voor
de start bij de UCI waarnemers melden en ze kunnen controleren dat het allemaal
OK, dan zullen we geen stress krijgen. Steven moet om 14:33 starten, ik om
15:30. Jan Brander loopt er rond, Henny Rovers ook. “Je kunt beter vroeg
starten: de wind neemt alleen maar toe, in de middag” Steven countert met: “Elk
nadeel heb z’n voordeel”. Het zal me allemaal een zorg zijn: ik ga me gewoon
helemaal leeg rijden. Wat er op duidt dat het met het hoofd wel goed zit.
Tijdens het
galgenmaal nemen we de planning door voor morgen. Logistiek vergt het enig
denkwerk, omdat we vanavond de auto al bij de start willen hebben staan. “Als
er geen podium bij zit, dan kunnen we rond 17:00 vertrekken.” Waarbij we
allebei vergeten dat de top-15 bekers mee naar huis zullen nemen.
22-8-2007
Zeben und zwansig
zieben und funzig, fur startnummer dreihunderd vier und driesig, eine neue
bestzeit fur die categorie damen!



De officiële
start. Jury-caravan, UCI controleurs meten de fietsen na, tijden worden
geregistreerd.




Uit de speakers
schallen de tijden ons tegemoet. Op een parkeerplaats, zo’n honderd meter van de
start hebben we gisterenavond de auto neergezet. Een perfecte plek nu blijkt,
want de hele straat en alle parkeerplekken eromheen staan vol met auto’s,
campers, taxcen en publiek. . De plek naast ons wordt bezet door een camper met
luifel van de heer J. Füsch, die net ver genoeg wegstaat om niet nog een auto
er tussen te krijgen. Kortom plek genoeg om in de schaduw in te fietsen voor
ons, en de man naast ons.
Bij de start
laten we onze fietsen even controleren. We willen niet 3 minuten voor de start,
wanneer de controle daadwerkelijk plaatsvind voor verrassingen komen te staan.
OP het oog wordt de 80cm gecontroleerd. Met één hand wordt de loodlijn langs de
punt van het zadel gehangen. Hoewel het lood nog op en neer zwenkt, knikt hij.
“Das ist ok” We zijn allebei sprakeloos – hebben we hier dan voor in de stress
gezeten? Zijn dit nu de UCI controles?
We lopen wat
rond, eten wat, we proberen de zenuwen in bedwang te houden: Steven voelt de
zenuwen opkomen, ik probeer me niet teveel door de omstandigheden te laten
leiden: toch komen met vlagen vlinders in de buik langsvliegen. We hebben zeeen
van tijd. Op zich is dat goed, maar toch gaat vervelen. Een uur voor dat je de
taxc op moet leg je alles al klaar voor het inrijden. Schoenen, drinken, ipod.
Het hele ritueel duurt 5 minuten waarna je nog 55 minuten moet overbruggen...


Italiaanse
deelneemster wordt geïnterviewd. Massa’s mensen bij de finish.
Bij de start
staat een Italiaans televisie station een Italiaanse te interviewen. Ze hebben
het goed voor elkaar, daar in
Italie. Net als bij de Dolomieten Maraton is er pers aanwezig. Er wordt
kennelijk voldoende rugbaarheid aan gegeven.
Bij de start zie
ik een renner met een NWVG shirt starten. “Kom op he, rammen!”, roep ik hem
toe, waarna hij uit zijn toe-clip schiet. Weg top-tijd. Ik merk dat de shift
van onze UCI waarnemers van eerder op de dag er op zit. Ik kan slechts hopen
dat deze agenten dezelfde interpretatie van de regels hebben, in de geest van
de wedstijd.

Klaar voor de
warming-up
13:15.
Het wordt warm.
De schaduw trekt zit steeds verder terug onder de luifel en de tube van mijn
voorwiel wordt warm in de zon. Ik gooi er een deken overheen: het zou niet de
eerste keer zijn dat een band klapt omdat de zon er te lang op staat.
“Ik klim er maar
eens op denk ik.” Steven heeft nog een uur. Het tijdritpak slobbert enigszins
en dus gaat de schaar er in. We plakken de ingekorte mouwen af, en het geheel
zit weer strak om het lijf. Over een uur moet ik de taxc op. Wat ga ik het
komende uur doen?
Ik zet alles
klaar, om zo niets meer te heoven doen als ik de taxc af kom. Ik pomp mijn
tubes op tot 10 bar en haal mijn vingers genadeloos open aan de vooorspaken als
ik de pomp er uit trek. Zelfs ronde spaken kunnen dan vlijmscherp zijn. ‘Bloed
voor de wedstrijd, kan alleen maar goed zijn.’
Ik loop wat rond
met de ipod op, en dans licht met de muziek mee. Pompende bassen laten me
langzaam in trance komen. Ik zie Irene Wüst voor me, die zich staat op te
pompen in de binnenring tijdens een staatswedstrijd. Ja, zo doet zij dat ook:
ik heb een topsportmomentje.
14:15.
Steven komt van
zijn taxc, ik klim op de mijne. Eerst maar eens een kwartiertje infietsen,
lekker los, gewoon op de fiets zitten. Mijn belevingswereld vernauwd en hoor
eigenlijk niet meer wat Steven zegt als hij richting de start loopt.
“Steven, kick
ass, en houd je in op het heuveltje”
Het is het enige wat ik kan verzinnen dat ik hem mee kan geven. Hij weet
donders goed hoe hij een tijdrit van 20km moet indelen, alleen de omtandigheden
van een WK zijn nieuw. Hij steekt zijn duim omhoog, en is weg.


0,5PK, klaar voor
de start.
14:33.
“Und der start
von nummer 613, Sloof Steven.” Ik voel een zucht van opluchting. De UCI
waarnemers hebben bij de start controle niets onregelmatigs gevonden. Samen met
Steven leg ik het eerste deel af. Ik doe een blokje op hoge hartslag, de
spieren moeten zo langzemerhand wakker worden, en wennen aan de kwelling die
hen te wachten staat. De eerste minuut zit mijn hoofd nog achter Steven op het
parkoers, de 2de minuut tuur ik naar de Scott van de Füchs die op
het kleine blad warm aan het rijden is. De altijd terugkerende vraag komt
voorbij: moet ik dit een half uur vol houden? De ervaring geeft het antwoord:
als je het goed in de warming-up, dan kan dat wel. Ik ben blij dat ik de 2
minuten heb gehaald, en haal de druk van de benen.
14:57
Steven is 24 minuten
onderweg. Ik zet mijn ipod uit en luister naar de speaker. Over 1,5 minuut moet
hij ongeveer binnen komen. De speaker murmelt wat tot dat:
“Oow! Das ist
eine scharfe zeit. Die erste man unter den 25 minuten. Vier-und-zwanzig minuten
zwei-und-funzig. Steven Sloof, neue bestzeit!”
“Ja, er had es
geschaft, neue bestzeit”, roep ik tegen Füchs. Vier-und-zwanzig minuten
zwei-und-funzig. “Was? Waanzin!”, is het antwoordt ietwat afwezig. Hij moet
immers om 15:03 starten. “Gute schance!”, roep ik hem toe.
Glunderend komt
Steven 10 minuten later richting auto gelopen. Het begin is verschikkelijk
zwaar: de wind is aangewakkkerd omdat het bergaf gaat wil je toch snelheid
maken. Op het bergje is hij teruggeschakeld naar het kleine blad, en tot
overmaat van ramp dacht hij dat hij lek was gereden. Het sissende geluid kwam
van een blaadje dat tussen frame en achterwiel kwam te zitten en er niet direct
uit wilde. Pas toen hij door kreeg dat zijn achterband niet leeg liep, is hij
weer gaan knallen, maar dan wel zo hard, dat hij de snelste tijd neerzette.
“We praten straks
verder, ik moet me nog even concentreren”, verontschuldig ik me. Hoe hard kan
ik rijden als hij sub-optimaal op 24’52” uitkomt. Bij de laatste training, was
het verschil toch niet zo groot?
Het laatste
blokje op vermogen gaat moeizaam. Verdomme, wat is dat nou? Ik wil de honger
van Nijeveen hebben. Het is nota bene even lang!
15:15
“Het is kwart
over drie, je moet eraf, je moet om half vier starten, die 15 minuten heb je
echt nodig. Steven stelt mijn versnellingen nog eens af op mijn Zipp wiel. Ik
hoor de speaker ‘vier und zwansig funzig’zeggen. “24 50”, zeg ik, denkende dat
Stevens tijd aan flarden is gereden.
Steven ontploft.
Hij staat
stampvoetend te vloeken. Hij is furieus. “Ik heb het gewoon laten liggen! Ik
had ‘m gewoon!”. Ik kijk naar een man die zojuist beseft dat hij zijn enige
kans op een wereldtitel zelf heeft verkwanseld. Even denk ik dat hij zijn P3
tegen de grond zal smijten. Zoveel woede straalt zijn houding uit.
Ik kan niets voor
hem doen, ik moet naar de start.
Ik kijk 5
seconden rond, of ik niets vergeten ben. Nee, behalve een helm en
overschoentjes heb ik helemaal niets nodig. Handschoenen zijn niet aero, en ik
moet het een half uur zonder drinken doen. Bij de controle wordt mijn fiets in
orde bevonden. Er staan nog 4 wielrenners voor me: dus nog 2 minuten voor de
start. Mijn versnelling staat op 54x19. Ik schakel eentje af: we starten van
een podium, dus je hebt direct snelheid. De 18 zal groot genoeg zijn. Ik
probeer me op te laden voor de start. Ik kijk naar het scorebord, en zie
Steven’s tijd nog steeds bovenaan staan. “Sorry!”, roep ik. Steven glimlacht,
hij heeft zich bij de start geposteerd. Uiteraard om te kijken of zijn tijd
houd, maar ook om mij weg te zien rijden. Hij is nog steeds de enige die het
gepresteerd heeft onder de 25 minuten te rijden. Naast hem staat Jan Brander,
zeker van zilver in de categorie 60+.
Verdomme, ik zou
willen dat ik het gevoel van Nijeveen had. Martin Ganglberger vertrekt, ik heb
nog een halve minuut. Ik word vast gehouden bij het zadel en klik de schoenen
in de pedalen. Ik voel één en al rust, alsof de tijdrit er al op zit. Het is
domweg een kwestie van hard rammen op de heenweg, de terugweg zal vanzelf gaan.
De heenweg moet gewoon hard. “Funf, vier.” Damn, ik moet al.


<0,5 PK klaar
voor de start
Ik neem een paar
snelle ademteugen, en bij nul ram ik het podium af. 54x18 blijkt perfect.
“Hard zijn voor
jezelf he! Vakantie is over”, hoor ik Steven roepen. “Kom op, kom op”, met een
felheid, met eenzelfde furieusheid als net bij de auto. Het geeft me vleugels:
ik moet sneller weg van die woorden dan ik nu doe, weg van de start. Binnen mum
van tijd op 53 km/u. Na 500 meter is de eerste bocht naar rechts en plots knalt
de wind er boven op. Het helmgras in de berm ligt bijna horizontaal in de grond
gedrukt. Jezus, zoveel wind heeft er de hele week nog niet gestaan, sterker
nog, vanochtend was het windstil! De snelheid zakt naar 47, en een minuut later
zie ik de eerste 43-er op mijn klokje verschijnen, terwijl ik het bordje ‘1km’
passeer. Nog 19 te gaan. Negentien. De moed zakt me een beetje in de schoenen.
De benen lopen vol en de hartslag stagneert op 166. Ik voel de P3 balanceren op
de wind- en zwaartekracht, als een surfzeil tegen de wind. De wind komt even
van opzij, maar daarmee niet minder vervelend. Ik trek op naar 46 en kan dat
vasthouden. De hartslag zit op 169 en ben ervan overtuigd dat ik niet hoger
kan. Ik krijg mijn wil niet omgebogen om harder te stampen, terwijl ik weet dat
het moet kunnen. Bij het eerste klimmetje schakel ik een tandje terug, en
meteen nog twee. Ik zit op 54x15, iets wat ik van te voren niet had gepland, op
dit stuk. Ik zie 39, 38 zelfs 36 verschijnen. Mijn god, dit gaat helemaal mis!
Ik sleur mezelf als een stervende zwaan naar boven, gevuld met gevoel voor
theater. Laat ook maar, dit wordt ‘m niet. Ik rijd hier toch geen top 5, dus
wat kunnen die seconden mij schelen!
Ik krijg een
eerste voorganger in het vizier en dat geeft zowaar moraal. De snelheid kruipt
weer richting de 46, en een bordje ‘6km’ zoeft voorbij. Meestal zijn dit soort
bordjes een hele goede motivatie, maar hier zijn ze slechts demotiverend. Nog
14km, in dit moordende tempo, met benen die maar niet willen draaien. De weg
draait met een lange bocht naar links en dan volgt de lichte prelude bergop,
gevolgd door het zware werk van 8%. Per 5 seconden vliegt er 2 km/u af. De
voorganger vlieg ik voorbij. Op een kwart van het klimmetje schakel ik naar
54x18, en halverwege ga ik staan. De snelheid zakt naar 25, terwijl ik tijdens
de trainingen na 10x op 54x14 constant de 30 haalde.
Wat een
klereding! Ik ga snel weer zitten als ik het snelste gedeelte heb gehad en
probeer vaart te maken richting keerpunt. Net voor het keerpunt haal ik een
tweede voorganger in, terwijl de renner die 30 seconden voor mij gestart is, me
tegemoed snelt. ‘Het verschil klokken, en dan er naar toe rijden’. Ik gooi de
11 erop en maak vaart om in de afdaling zo hard mogelijk te kunnen. De teller
blijft steken op 70,2km/u, en ik probeer het zo lang de 11 er op te houden. Het
bordje met ‘8km’ komt wel heel snel na de ‘9km’. ‘Nog even en we zijn bij de 5,
dan is het bijna voorbij!’ Een kleine glooiing in het parkoers noopt me om de
12 te schakelen, maar het begint dan eindelijk te draaien. Ik klok het verschil
met mijn voorganger en hij lijkt 40 seconden voor me te liggen. Het blijkt maar
weer dat ik een prooi nodig heb, want het idee dat hij voor me zal eindigen is
er een dat ik niet kan verteren. Ik passeer het ‘bruggetje van 4km’, het punt
waar we tot de conclusie waren gekomen dat vanaf dat punt alles gegeven moest
worden.
Ik gooi de 11 er
weer op, en probeer het beenritme omhoog te krijgen. De 50 verschijnt weer, en
snelt door naar 54km/u. Mijn voorganger is een puntje aan het eind van het
enalaatste lange rechte stuk. ‘Je bent gewoon beter dan hij, je kunt gewoon
harder’, bedenk ik me. Het is de eerste keer dat ik zo positief ben over mezelf
tijdens een wedstrijd. Waar komt dat vandaan? Is het zo slecht dat ik mezelf
uit het dal probeer te praten? Probeer ik me op een voetstuk te plaatsen, de
legereenheden te overzien en mezelf zien gloreren op een veld gevuld met
kruitdampen en kermende tegenspelers? Tegenspelers die zichzelf kapot getrapt
hebben. Als dat zo is fiets ik niet hard genoeg! Ik moet zelf bij de kermende
liggen, erger geleden hebben, maar daarmee wel harder gefietst.
Toch stel ik het
point-of-no-return uit totdat ik het bordje 2km voor me zie. Ik verhoog het
beentempo, en de teller schiet mede met dank aan het laatste stukje vals plat
naar beneden van 47 naar 56km/u. De hartslag bereikt de 170, en besef dat ik
dit in het begin had moeten hebben. Ik probeer een zo lelijk mogelijke grimas
op te zetten, zodat de toeschouwers kunnen zien dat ik geleden heb. Sjonge, dat
ik daar de tijd voor heb om over na te denken.
Ik zet wel een
‘neue bestzeit’ neer maar niet onder de 26 minuten. Iets waar ik me vantevoren
wel toe in staat had gesteld. Teleurgesteld in mijn mentale hardheid rijd ik
linea recta terug naar de taxc, wissel achterwiel en rijd uit. Steven komt naar
me toe gesneld. Ik heb weinig meer woorden voor mijn rit anders dan ‘te lage
hartslag’, ‘kreeg ‘m niet omhoog’. Het lukte domweg niet. Het liefst wil ik een
directe verklaring, die ik met ‘o, dáárom lukte het niet’ kan beantwoorden. Dat
zou de teleurstelling snel kunnen doen vergeten. Ach, teleurgesteld, ik ben
eigenlijk helemaal niet teleurgesteld – zo belangrijk was het helemaal niet. En
toch knaagt het dat je op een WK, een WK!, niet er uit haalt wat er in zit.
Ik kan me de
teleurstelling van een topsporter helemaal voorstellen. Natuurlijk, zij zouden
de ervaring om zich heen verzameld moeten hebben, maar toch kan het mis gaan.
Dat ligt dan aan hun zelf in veel van de gevallen, maar je moet wel de trots
van de natie met je mee torsen als er weer zo’n verslaggever hijgend aan je
komt vragen ‘waarom dit soort fouten op dít niveau nu toch nog kunnen
gebeuren’. Hoewel ik een pesthekel heb aan Frank de Boer-argumenten als “op dit
niveau mogen dit soort fouten niet voorkomen”, omdat ik altijd het idee had dat
hij daarmee de slappe Nederlandse sportmentaliteit probeerde te verdoezelen,
begin ik te accepteren dat dit soort fouten altijd blijven voorkomen, omdat het
mensenwerk is.
17:30
“Und wir haben
eine Vice-Weltmeister!”. Steven is 2de geworden. Alleen Jens
Volkmann is hem voorbij gestreefd, en hoe: maar liefst 40 seconden sneller.
Volkmann, ook al eens eindwinnaar in de Trois Ballons en de Trans Alp, rijdt
hier iedereen naar huis met een gemiddelde van 49,65km/u
We komen terug
bij ons pension, waar ik de Steven introduceer als Vice-Weltmeister. De
onhandigheid druipt van het echtpaar af. Een schuchter ‘Gratuliere’, kan er
vanaf, maar verder weten ze zich geen houding. Toch wordt Steven direct
voorgesteld aan zoon- en schoondochter. Ze zijn maar wat trots dat ze een
Vice-Weltmeister in huis hebben gehad.

In gesprek met
Jen Volkmann, man van 49,65km/u
20:15
Na lang wachten
begint de officiële ceremonie dan toch echt. Op het podium staat een hele trits
bekers. Vlaggen hangen strak gedrappeerd aan de muur. Fransesco Moser wordt als
beschermheilige aangekondigd en een hele rits hoogwaardigheidsbekleders
passeren de revue, van UCI-mitgliet tot loco-burgermeester van Kreis St.
Johann. Het hele dorp lijkt uitgelopen te zijn, het plein staat vol met mensen.


De
huldigingsceremonie. Jan Brander wordt op 20” 2de in zijn categorie.


Hebbes!



Toch nog een
beker.
Als dan de eerste
wereldkampioenstrui wordt uigereikt aan de wereldkampioen boven de 70 jaar,
door Moser hemzelf begint bij mij wel iets te kriebelen: Verdomme, dit is
gewoon het WK. Natuurlijk heeft het niet de uitstraling van een WK va de profs.
So what? Dit is voor werkende mensen het hoogst haalbare. En natuurlijk is er
maar een select gezelschap afgereisd naar Oostenrijk. So what? Ik leef mee met
Steven dat hij niet die trui zal mogen aantrekken. Ik wens hem vurig toe dat
Moser wel zijn beker uitreikt.
Maar Moser heeft
meer oog voor de vrouwencategorien en houdt het na de helft van de ceremonie
voor gezien. Jammer, wij zullen het moeten doen met een UCI-arts en
UCI-mitgliet.
22:15
Mijn categorie
30-39jaar is als laatste aan de beurt, en de meeste mensen zijn al huiswaards
gekeerd. Het kan mij niet deren. Als mijn naam door de speakers schalt loop ik
het podium op om mijn beker op te halen.. Voor iedere top-15 is er een beker.
We vangen de reis
richting huis aan, en zetten rond 1:00 de auto rond Nürnberg langs de kant. Wat
een evenement. Alles liep op rolletjes, kortom zeer voor herhaling vatbaar.
Enigszins zorgwekkend
blijft toch mijn instabiele mentale hardheid. Soms is het er, soms is het er
niet. Van te voren is niet in te schatten wanneer het er is, en wanneer het er
niet is. Hoewel ik onderhand weet wat er voor nodig is om mijn lichaam hard te
laten fietsen, kan ik het niet altijd opbrengen om me ook echt zoveel pijn te
doen. In welke mentale modus operandi moet je zitten om jezelf ervan te
overuigen dat je het komende half uur een zodanige inspanning kúnt leveren
ondanks het feit dat je na 1 minuut al boven je omslagpunt zit, en je niet
lekker meer op je fiets zit. Het antwoord is al nadenkende ook gevonden: je
moet willen. Als je het wilt is een half uur niet lang. Als je wilt kun je
tijdens trainingen ook een trap harder. En dus twee, want die ene was blijkbaar
toch al mogelijk geweest.
Dus waar eindigt
het? Waarschijnlijk is tijdens een enkele training een limiet redelijk snel
gehaald. Op een gegeven moment is het lichaam fysiek niet meer in staat om nog
meer energie te leveren. Maar op de langere termijn lijkt mij de limiet veel
onzekerder dan je op basis van een training zou kunnen concluderen. Of op basis
van één jaar wedstrijden rijden. Uiteraard is er al veel academisch-waardig
onderzoek aan besteed, maar zo lang je je daar niet aan waagt, blijven dromen
tastbaar. Misschien is dat wel de grootste bron van wilskracht die een sporter
zich kan wensen.


