IMG_4590_1 (142K) IMG_4716_1 (75K)

Een verslag van de Trois Ballons, 9 juni 2007, cyclo over 205km, 4100hm, Vogezen, Frankrijk.

Een herdefinitie van de pijngrens








6-6-2007
Het is rustig op de Duitse Autobahn. De routeplanner heeft zich lelijk vergist in de duur van de rit van Groningen naar de Vogezen. Of ik heb iets fout ingevoerd, wat eerlijkheidshalve waarschijnlijker is. Computers kunnen dan wel niet denken, maar ze zijn we accuraat met de aangereikte gegevens. Plankgas racen we naar de Franse grens. Zo nu en dan dwalen de gedachten af, weg van de snelweg, de bergen in. Een vervelend onderbuikgevoel borrelt op als ik moet terugdenken aan de slotbeklimming van de Trois Ballons vorig jaar. Tijdens de verkenning halverwege omgekeerd, tijdens de cyclo zelf duizend doden gestorven. Boven gekomen wist ik niet meer wat ik moest doen om me beter te laten voelen. Dit jaar heb ik 'm links laten liggen tijdens de verkenning in mei, en ook morgen, tijdens de laatste duurrit staat ie niet op het programma. Toch moet ik 'm zaterdag weer op, na 200km. En tot overmaat van overmoed heb ik me ook ingeschreven voor de tijdrit zondag, de dag na de cyclo: een duidelijke haat-liefde verhouding met de berg wat ze hier liefkozend "la petite Alpe d'Huez" noemen.

TB-start_1 (164K)
7-6-2007
Joost en ik ontwaken op een boerderij in een dorp dat ik geheim zal houden zodat we volgend jaar meer kans hebben om hier terug te keren. Het is een plek die alleen bestaat in de oude Franse films. Middenin in het glooiende landschap ligt een dorpje met een kerk en als je de afslag rechts neemt bij de kerk verschijnt er na een paar honderd meter een mooi huis aan de horizon met wat schuren erbij. Af en toe klinkt er een gemoedelijk 'mheu' uit de schuren.
We zijn hier vannacht om 2:30 aangekomen. De eigenaresse had de telefoon bij haar kussen gelegd zodat ze ons door het dorp kon leiden als we er zouden zijn. Ik vond dat het toppunt van vriendelijkheid: een Nederlandse uitbater had zeker gezegd dat we maar een ander hotel moesten zoeken. Feit is wel dat de mensen hier financieel afhankelijk zijn van het toerisme en ze wel moeten buigen voor 'late arrivals'.
IMG_4711_1 (72K)IMG_4715_1 (121K)
De fietsen worden uitgepakt en we maken ons klaar voor een duurrit van ongeveer 3 uur. Op de kaart lopen we voor vertrek langs de route van de Trois Ballons. Ik vertel waar de steile stukken zitten, waar de haarspelden lekker lopen, hoe lang de klimmen zijn, waar je juist geen gas moet geven. Ik stel vast dat ik deze cyclo al beter ken dan ik had verwacht. Vooral wil ik Joost de Ballon de Servance laten voelen omdat die in tegenstelling tot de overige klimmen erg onregelmatig is. Ik heb hem nu drie keer beklommen en nog steeds word ik verrast door de plotseling opdoemende steile stukken of eerder afvlakkende gedeeltes, wat inhoud dat je beter je energie had kunnen verdelen. Via het glooiende slot van het parkoers, waar menigeen kapot gaat omdat de spieren langzaam in slaap gesust worden, arriveren we bij de aanloop van de Ballon de Servance. Ik wijs naar rechs waar de weg steil omhoog kruipt. Een weggetje zonder haarspeld in het begin zodat het lijkt alsof de weg niet ophoudt. "Dat,", en met gevoel voor drama wijst mijn vinger richting de berg:"is de slotklim". Ik hoor Joost iets mompelen als "whaa, wat steil ja", als een echte Groninger.
Joost is van slag door de eerste Ballon. Het loopt voor geen meter, hij kwam geen moment in zijn ritme. "Als het zaterdag zo gaat, dan ben ik snel thuis", klinkt het beteuterd. 'Mission accomplished', denk ik, terwijl ik op elk stijl stukje heb kunnen versnellen. Het is de enige reden waarom ik 'm hiernaartoe heb gesleept. Het is zonde als de moed je in de schoenen zakt op de eerste klim van de cyclo omdat je parkoerskennis ontbeert. Daarnaast hebben we gisteren 8,5 uur in de auto gezeten en dat fiets je er niet in een half uurtje uit.
In de vallei worden we getracteerd op een enorme hoosbui met onweer op de koop toe. We fietsen door, een buitje van deze proporties kan mij niet van de weg krijgen. Toch informeer ik even of Joost hier ook mee akkoord is, en merk dat hij liever pauzeert. Regen tot daaraantoe, maar onweer, dat is hem teveel. Misschien ook wel goed: ik was stoïcijns de Ballon d'Alsace overgetuft, de mogelijke gevolgen onderschattend.
Na de pauze zitten mijn spieren vast, en gaat de Ballon d'Alsace moeilijker dan gedacht. De 39x19 is vandaag niet aan mij besteed. Joost kan me goed bijhouden en we klimmen samen naar boven. In de afdaling ga ik nog even op de pedalen staan: het is een schitterende afdaling, met zeer overzichtelijke bochten. Ze lijken blind, afgeschermd door de kalkformaties en begroeiing, maar als je er halverwege door bent blijken ze alweer op te houden en had je dus niet hoeven remmen. Als je het eenmaal weet vliegt de snelheid omhoog en is het heerlijk dalen. Aan het eind van de afdaling komt de zon weer tevoorschijn en ik gooi mijn armen in de lucht, een teken van ultieme vrijheid. De zwaartekracht laat je zachtjes naar beneden zeilen, je hart hoeft zich nauwelijks in te spannen en iedere diepe ademteug vegroot het gevoel van geluk. Even denk ik niet aan zaterdag, even stel ik me niet voor hoe kapot ik hier zit of met hoeveel tegenzin ik denk aan die laatste verschrikkelijke 5 kilometers.
We hebben 4 uur op de fiets gezeten en dat is meer dan ik me had voorgenomen. Ik heb de laatste 3 weken niet zo lang op de fiets gezeten en het moet niet zo zijn dat ik me nu vermoeider maak dan dat ik goed doe. "C'était une bonne balade?", vraagt de boerin als we terug komen. Ik weet wat ze bedoeld, maar 'balade' bij een duurrit van 100km is niet het eerste woord dat bij me opkomt. Toch is het een mooie benaming: alsof men er vanuit gaat dat wij wielrenners dansend over de bergen gaan. Alsof het bij ons allemaal vanzelf gaat. Deze associatie maakt ons bijna bovenmenselijk, verheven boven de gewone boer en boerin, terwijl ik juist met jaloezie kijk naar wat zij hier hebben neergezet: Voor de toerist is het de definitie van vrijheid.
's Avonds eten we mee met de boer en boerin. "Alors, vous allez manger avec des gents qui travaillent". In eerste instantie een manier om ons gerust te stellen wat voor een volk er nog meer bij zit, maar er lijkt een jaloerse ondertoon in te zitten, hoewel ik me het niet kan voorstellen. De vriendelijkheid lijkt zo oprecht en haar ogen laten niets anders zien dan nuchtere naieve kijk op de wereld die niet verder rijkt dan Franche-Compte. Toch moet er meer achter zitten. Waarom begin je een hotel in je boerderij? Geld moet een reden geweest zijn. Een hotel runnen is 365 dagen in touw zijn, je leven wordt ingenomen door reizigers waar je niets gemeen hebt voor en na hun bezoek.
Tijdens het avondeten laat de lucht eindelijk de regen los die er de hele dag in gezeten heeft. Aan de Noordkant van de Vozegen is het gedurende de dag al naar beneden gevallen, maar de wolken hebben zich niet over de kam kunnen tillen: hier is het de hele dag droog gebleven. We eten in de serre, met een plastic dak, en door de hoosbui kunnen we elkaar nauwelijks meer verstaan. Sterker nog, door de hagelstenen en rukwinden vraag ik me af en toe af of het allemaal wel zal blijven staan. Joost heeft nog nooit zoveel regen in zo'n korte tijd gezien. De tijd tussen bliksem en donder wordt alsmaar korter en af en toe valt het licht uit. Het is echt noodweer en het maakt de ambiance knus. "Als het licht maar niet echt op zwart gaat, er staat nog een taart in de over!" We zitten aan de kaas, en we hebben al 2 gangen gehad. Ik sla de kaas over, en dat wordt niet als belediging gezien.
Dan is er een flits met een oorverdovende knal. Alles is zwart en het is stil. De regen is nauwelijks meer te horen. Is zelfs de lucht geschrokken van zoveel woede? Het is overduidelijk een inslag heel erg dichtbij. De kaarsen gaan aan. Met volle teugen haal ik mijn weggezakte Frans aan en ik smul van het feit dat ik zonder problemen het gesprek kan voeren. Af en toe vertaal ik voor Joost waar we het over hebben. Het niet spreken van de taal van het land waar je je bevindt is lastig. Je voelt je onthand en je mist veel van de plaatselijke cultuur.
Er wordt gerommeld in de zekeringskast en na een kwartier is er toch weer licht. Het blijft onduidelijk of het nu een zekering is of dat er in het dorp geraakt is, maar de taart komt alsnog op tafel. Voor Joost heeft ze zelfs een aparte taart gebakken i.v.m. zijn allergie. Ik kijk haar eens aan, en vraag me af waar al deze zorgzaamheid vandaan komt. Ik kan de verleiding niet langer verstaan en vraag met een tikkeltje Nederlandse directheid waarom ze zijn begonnen met het openstellen van hun boerderij voor gasten. Enigszins verwacht, maar niet minder confronterend komt dan het verhaal waarin eindelijk blijkt dat hun wereld wel verder reikt van Franche-Compte. De Franse landbouwpolitiek doet haar intrede en we maken kennis met de macht van Brussel. In 1978 zijn ze begonnen met het houden van vee. Na jaren van opstarten en investeren krijgen ze te maken met grote tegenslag. Ziekte onder de koeien in de eerste jaren van productie laat ze ballanceren op de rand van de afgrond. In 1983 zitten ze aan de grond, maar hebben ze wel de eerste kalveren. Deze zijn wel gezond en de productie van vlees en melk neemt gestaag toe. In 1988 verondonneerd de Franse regering, ingegeven door de Europese regelgeving uit Brussel, dat de Franse boeren alleen nog maar op quotum mogen produceren. De vleesbergen en melkmeren worden groter en groter en Europa komt om in zijn eigen voedsel. Er gaan miljarden op aan subsidies, betaald door de Europese burger, om de Europese boeren in leven te houden en Frankrijk is grootontvanger van die subsidies, tot ongenoegen van heel veel Europeanen. Het kan ook niet geexporteerd worden, daarvoor zijn de productiekosten te duur. Daarnaast wil Europa ook nog voedsel importeren, bijvoorbeeld uit Afrika om daar de economie draaiend te krijgen. Kortom, de Franse boer wordt geconfronteerd met een quotum, en als referentiejaar wordt 1983 genomen. De boer mag zoveel produceren als hij heeft gedaan in dat jaar. Voor onze gastheer en gastvrouw is dat bijna de nekslag omdat zij toen nauwelijks productie hadden. In 1991 besluiten ze dat er iets moet veranderen en het idee om gasten te laten overnachten wordt geopperd. De boerin stopt met haar baan als psychologe, en neemt het logement op zich, terwijl de boer de boerderij voor zijn rekening neemt. Het blijkt een gouden idee, en kunnen nu goed rondkomen van de combinatie.
Het gesprek stond bol van wilde gebaren, fronsende wenkbrauwen en verheven stemmen. De Franse boer heeft het niet gemakkelijk gehad en ik begin meer begrip te krijgen voor de kolossale hoeveelheid geld die Europa heeft moeten uittrekken voor de voornamelijk Franse boer.
Rond tien uur verexuseren we ons en gaan richting bed, zoals het de wielrenner betaamd.

8-6-2007
Bij het afscheid verontschuldig ik me bijna dat we weg gaan. Ik voel me thuis en hoop dat ik hier nog eens terug kom. Vanavond slapen we ergens anders. Ik was laat met boeken en alles zat uiteraard al vol. We hebben geluk gehad dat we überhaubt niet op een camping hoefden te staan. Gezien de enorme hoeveelheid regen gisterenavond en de berichten over overstromingen en evacuaties in Noord-Oost Frankrijk een scenario wat achteraf gezien rampzalig geweest zou zijn. Het was dan ook de allerlaatste optie geweest.


"Het moet echt heel makkelijk zijn. Erwin heeft het me een keer voorgedaan, en het zag er simpel uit. Niet dat ik het zelf kan, maar het is een fluitje van een cent. Heb je het gereedschap bij je? Anders heb ik het wel. Maar als je het gereedschap hebt is het zo gepiept."
Joost heeft me overtuigd dat het echt niet moeilijk moet zijn.
"Alleen moet je wel weten welke kant je moet opdraaien."
Ik wil mijn lichte FRM wielen monteren maar heb de cassette nog op mijn Mavics zitten. Er is nergens een duidelijk teken of je nu links of rechtsom de cassette moet losdraaien. Ik kan natuurlijk zelf proberen maar omdat ik maar één cassette bij me heb durf ik dat niet aan. Ik besluit Cycletrend te bellen. Ik krijg Bart van de Walle aan de lijn en hij dirigeert me door het proces. Met speels gemak draai ik de cassette en ben er verrukt van. 'Geslaagd voor het vakmanschap van fietsenmaker'. Wanneer ik ook nog de cassette op het FRM-wiel gemonteerd krijg ben ik verrast door mijn eigen vaardigheid. De enige irritante gedachte die in het hoofd blijft spelen is: wat is de staat van de FRM-wielen? Op deze gloednieuwe wielen ben ik vorig jaar tijdens de Dolomieten marathon tegen de rotsen geknald tijdens de afdaling van de Santa Lucia. Ze zijn opnmieuw gespaakt door Guido maar heb er sindsdien niet meer op gefietst. Wat nu als een spaak het begeeft tijdens de Trois Ballons? Dan kan ik alweer een hoofdstuk toevoegen aan de immerlanger worden handleiding 'wat niet te doen voor belangrijke wedstrijden'. Joost begrijpt mijn bezorgdheid niet.
"Vertrouw je jezelf niet?"
Met enige aarzeling antwoord ik dat dat inderdaad het geval is. Ik dicht mijzelf weinig technische fietskennis toe en zeker te weinig om overtuigd te zijn van het feit of deze wielen zullen voldoen voor een 205km lange cyclo, met snelle afdalingen. Er is eigenlijk maar één manier om erachter te komen: testen. Na een zeer Franse lunch langs de kant van de weg, vertrekken we voor een korte rit van een uur, waarin ik een paar keer flink aanzet en de fiets op en neer smijt. De cassette lijkt goed te zitten en de wielen geven geen krimp. Tijdens de vervanging ben ik er ook achter gekomen dat de remblokken volledig verzadigd zijn met ijzerschilfers van de velgen: de Mavics zijn duidelijk aan hun eind. Die moeten in de revisie als ik terug ben. Na het toerritje heb ik mezelf overtuigd dat het goed genoeg is. Ik zie geen aanleiding meer voor zaken die plots de kop kunnen opsteken. In een moment van impulsief handelen besluit ik ook om mijn kilometerteller eraf te slopen, samen met de vermogensmeter. "Als er iemand bergop demarreert, moet je toch mee", aldus Oege Hiddema in Fiets. Inderdaad, als ik voorin wil eindigen dan zal ik anderen moeten volgen en niet mijn eigen tempo moeten rijden. Ik heb helemaal niets aan een kilometerteller. Het voelt spannend om als enige indicatie van kunnen je hartslag te hebben. De indicatie van willen zit in het hoofd, er is geen materiaal dat je daarbij helpt.
IMG_4721_1 (156K)IMG_4722_1 (149K)

Bij de Permanence halen we onze startnummers op. Er is een klein marktje, knus en overzichtelijk. Bij Joost begint het nu te kriebelen. Het is de eerste gewaarwording dat er morgen echt iets staat te gebeuren. Ik merk dat ik er niet meer van opkijk. Ik ben hier voor een hoge notering, niet zozeer voor het uitrijden: een aanzienlijk verschil in gemoedstoestand en beleving. Ik hoop eigenlijk vooral dat ik voldoende kan slapen vannacht.
Rond 16:45 rijden we naar onze volgende gîte. "Je moet bij de kerk links, en bij de afslag van de gîte 1800m door het bos." Dat klinkt exotisch, en dat is het ook. We rijden werkelijk het bos in. De eerste kilometer is nog asfalt, maar de laatste 800m zijn meer besteed aan een terreinwagen. Middenin het bos verschijnt een huis, met een enorme wilde tuin en een grote vijver waar de kikkers een eerste klas concert weggeven. Mijn mond valt open. Dit soort beelden geven iets extras die de gedachte over pijn die ik morgen ga voelen op de achtergrond drukken.
IMG_4723_1 (142K)IMG_4727_1 (165K)
We worden ontvangen door een vrouw van rond de 40 met ogen die niet bij haar licht getinte huidskleur passen. Het maakt de situatie alleen maar meer onwerkelijk. Nog meer sirenen in de Vogezen? Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. Zij weten ook wel dat dit een paradijsje is en zullen er ongetwijfeld met veel plezier wonen. Ik zeg dat we ons maar zullen 'ínstalleren', en dat vindt ze goed.
Ik breng de tijd door met de laatste fietscontrole en schoonmaak. Er gaat toch altijd weer meer tijd inzitten dat gedacht en kan maar een kwartiertje tot rust komen voordat om 19:30 het eten op tafel verschijnt.
Intussen zijn ook de andere gasten gearriveerd. Toerders die de cyclo willen uitrijden. Eén van hen ziet mijn gehavende rechterbeen en zegt, zoals het een bijdehante Nederlander betaamd, "Je moet wel op de fiets blijven zitten". "Ja, maar als er mensen in het peleton tegen elkaar klappen dan doe je niet zo veel meer". Ik heb er het hele gezelschap mee stil. Duidelijk een antwoord dat niet tot de mogelijkheden behoorde om nog een bijdehante opmerking te plaatsen. Ik merk dat mijn humeur grimmiger wordt. Ik wil eigenlijk alleen nog maar eten en dan naar bed. Maar ik heb me te schikken in de planning van de inmiddels vier sirenen. Hoe komen hier vier vrouwen verzeild? Ze zijn te direct en te 'stads' om hier uit de streek te komen. Er schuilt hier ook een heel verleden achter. Ik zoek een subtiele ingang om er meer over te weten te komen. "Toe ik hier in mei was viel het me op dat iedereen het over de verkiezingen had. Het houdt de Fransen wel bezig he?", probeer ik. Een open deur: het is immers bekend dat Fransen geobsedeerd zijn door de presidentiële verkiezingen. Hoewel het duidelijk wordt dat de regio en masse voor Sarkozy heeft gestemd is het ook duidelijk dat de vier dames daar niet bijhoren. Het is een drama voor Frankrijk dat rechts het gehaald heeft, en absurd dat linkse ministers, als Couchner, nu zitting hebben in de regering. Kijk een discussie over de gepolariseerde situatie in Frankrijk! Ik probeer er voor te gaan zitten, maar werd gearresteerd door de tijd. Het is 21:00 en morgen gaat om 5:00 de wekker. Ik heb een beklemmend gevoel. Angstige momenten waarin mijn fiets het begeeft of ik zelf door concentratie een bocht mis passeren de revue. Kan ik überhaubt wel 7 uur op de fiets zitten? Ik heb er niets aan. Gewoon meegaan in het begin, en dan zien we wel.

9-6-2007
Er is veel te weinig brood voor iedereen bij het ontbijt. Ik laat even mijn sociale gezicht zien door te melden dat niet iedereen hiervan kan eten. Maar als de rest daar niet echt op reageert, laat ik het daarbij. De mensen die nog moeten aanschuiven, zijn immers reisgenoten van mensen die al zitten te ontbijten: zij moeten het zelf maar uitvechten. Ik gooi de koffie naar binnen en mijn brood is rijkelijk bedeeld met jam. Mijn humeur staat strak. Er kan nauwelijks een woord vanaf en Joost kijkt me af en toe uit een ooghoek schichtig aan. Blijkbaar is dit mijn manier van me voorbereiden, maar het zit me wel in de weg. Is het het vooruitzicht van de slotklim? Is het de hoeveelheid kilometers? Is het hiet idee dat het harder moet dan vorig jaar omdat ik sterker ben?

Wij zijn ruim op tijd bij de start en ik sta helemaal vooraan. Voor me loopt de organisator van de Grand Trophee op en neer. Hij legt uit dat we wachten op het sein dat de trein Champagney heeft verlaten, zodat we niet verrast worden door neerkomende spoorbomen, iets wat blijkbaar al een keer gebeurt is. Hij drukt ons op het hard om niet roekeloos te rijden en in godsnaam de papiertjes van de repen op zak te houden. De Trois Ballons wordt verreden door erg veel natuurgebied en dit soort evenementen drukt zwaar op de ongeschondenheid van de bossen. Wel is nieuw dat we in Willier-sur-Tur door rood mogen rijden mits dat kan. Het vorig jaar was het devies dat men daar moest stoppen: ik was een van de weinigen. Nu mogen we, mits het kan, doorrijden: een advies wat zeer onderhevig is aan persoonlijke interpretatie... Het is een erg drukke weg, en blijkbaar heeft de organisatie niet de macht om dat stil te leggen. Op normale kruispunten is dat wel het geval.
Pas heel laat komt het Veltec team van Oege Hiddema aan de start. Het startvak van de eerste groep staat al erg vol en ze moeten achteraan sluiten. Maar gezien het eerste vlakke stuk is dat eigenlijk niet erg: je kunt makkelijk naar voren.
De burgermeester knipt het lint door en reikt een aantal van ons een stukje aan. Hij is zichtbaar vrolijk, duidelijk een wielerliefhebber. Maar het is onduidelijk, nu het lint door is, of nu mogen of niet. De adrenaline suist door mijn lichaam, maar gedwongen houd ik mijn handen aan de remmen, waardoor ik bijna voorover over mijn fietsval. Ik kan alleen nog naar het voorwiel van de persoon naast me kijken. Is zijn voorwiel al verder? Ik duw mijn fiets een klein stukje vooruit. Ik zal me hier niet weg laten drukken. Van de kant moet het een vreemd schouwspel zijn. Blokken testosteron die hun voorwiel een centimeter voor die van een ander willen hebben staan, terwijl de cyclo over 205km gaat.
We rijden met gestrekte draf richting La Planche. Ik manoevreer me naar voren en zit nu op de plek waar ik hoop te finishen. Even geniet ik van het moment dat ik hier een jaar geleden ook reed, ook redelijk ver van voren. Toen voelde het als een overwinning, ik genoot van het moment dat ik in de kop van een cyclo reed. Nu rijdt ik hier voor plaatshandhaving. Ik moet me niet laten wegdrukken op de flanken van de Servance.
Als we de dorpjes gehad hebben met de nodige auto's op de weg geparkeerd, rijden we de Servance op. Naast me rijdt Oege. Ik wil hem succes wensen maar vind dat nergens op slaan. Dus zeg ik niets en probeer in zijn buurt te blijven. Bij het eerste steile stuk ga ik op de pedalen staan en met een man of 30 rijden we weg van het peleton. De parkoerskennis doet zijn werk. Zonder die wetenschap zou ik hier nooit aangevallen hebben. De ervaring leert dat het klassement gemaakt wordt op de eerste berg, dus zul je moeten volgen. Mijn hartslag ligt op 172, ruim boven mijn omslagpunt maar ik voel me sterk. In een trance rijd ik 18km lange klim van de Servance op maar merk dat de afstand van de kop op 5 kilometer van de top toch aanzienlijk begint te worden. Ik accepteer dat ik niet in de kopgroep zal zitten. Het was ook niet een scenario waar ik rekening mee gehouden had. Maar in de tweede groep passeer ik de top en in de afdaling haal ik wat mensen in.
Kopie van IMG_4523_1 (125K)Kopie van IMG_4529_1 (104K)
Het is een gevaarlijke afdaling. In de bochten ligt grind en het wegdek is erg hobbelig. De bochten ken ik bijna van buiten en iets boven het zadel zwevend suis ik naar beneden, om zo min mogelijk impact te hebben van het hobbelige wegdek.

Onderaan hergroepeert zich de groep, en we rijden richting col de Menil. Het is een bergje van niets, je kunt eroverheen op het grote blad, wat ik dan ook doe. Als ik omkijk heb ik zowaar een gat geslagen. Het echte powerklimmen is niet besteed aan deze vedergewichtjes. Omdat er na het klimmetje ons een lang vlak stuk te wachten besluit ik te wachten. Een motard komt ons mededelen dat de kopgroep op 1'50" zit. Na de col de Menil wacht de col d'Oderen, ook geen steile klim, en het duurt erg lang voordat het echt een klim wordt. Ook hier maal ik op het buitenbald naar boven en er is niemand die overneemt. Pas vlak onder de top komen er mensen onderdoor. Er is op de Oderen een drankpost maar ik besluit door te gaan.
Kopie van IMG_4535_1 (101K)Kopie van IMG_4541_1 (124K)Kopie van IMG_4545_1 (115K)
Net als vorig jaar ga ik voor de revataillering op de Grand Ballon. De meesten van mijn groep hebben mensen langs de kant staan. Ze rijden met kleine bidons en hebben dus altijd een halve kilo minder mee te zeulen dan ik. Om maar te zwijgen over het lichaamsgewicht. Het zal met enkelen wel 20 kilo schelen.
We passeren het meer XXX en zijn 67 kilometer onderweg.
Kopie van IMG_4552_1 (110K)Kopie van IMG_4559_1 (78K)Kopie van IMG_4569_1 (201K)
De motard verteld ons dat de achterstand op de kop nog steeds 1'50" is. Geweldig, 40 kilometer na de eerste check is het gat niet groter geworden. Het kopwerk wordt opgeknapt door een man of 6, waaronder ik. Ik accepteer dat ik een 20-tal, merendeel Franse renners, zo op sleeptouw neem met het risico dat ze me op de hellingen voorbij komen zetten, maar het is niet anders. Het lukt me domweg niet om acherin de groep te gaan zitten. Ik voel dat de col de Bramont begint. Waar is het bord met '6km bochten'? Ik heb het niet gezien en in de verte verschijnt de eerste bocht. We moeten er voorbij zijn. Mentaal moet ik me voorbereiden op deze 6 kilometers. De Bramont heeft een erg lastig einde, iets te steil voor mijn postuur. Hier zal ik alles uit de kast moeten halen om bij te kunnen blijven. Het tempo ligt hoog en mijn hartslag klimt mee naar boven de 165. Op zo'n 3 kilometer onder de top zie ik een 6-tal renners vertrekken, waaronder eentje van Gaul. Ik probeer te versnellen maar na 100m moet ik een tandje terug doen. Even ben ik teleurgesteld, maar besef dat over 2 kilometer het plateau begint: 20 kilomters glooiend terrein waar ik tijdrijdend denk tijd goed te kunnen maken. Ik herpak een tempo wat ik denk vol te kunnen houden, en stamp de laatste 2 kilometers naar boven.
Boven verdwijnt het groepje langzaam uit het zicht. Samen met een jongen in een Dolomieten-outfit probeer ik een trein op te zetten, maar merk dat er helemaal niemand mee wil werken. Ook mijn benen voelen anders dan ik halverwege de klim had verwacht. De kracht is er een beetje uit. "Dat groepje is gevlogen. Je zult het met deze mannen moeten doen", denk ik bij mezelf.
IMG_4573_1 (137K)IMG_4582_1 (65K)IMG_4577_1 (109K)
Ik neem een slok en merk dat ik bijna zonder zit. De volgende post is over 20 kilometer. Ik zal die wel halen, maar feit is dat ik te weinig gedronken heb. Anderhalve liter in 3 uur, dat is veel te weinig. Jabik-Jan heeft me van te voren op het hart gedrukt om 1 liter per uur te drinken. Een vochttekort van 3-4%, heeft een vermogensverlies van 20% tot gevolg. Ik heb me niet aan die afspraak gehouden, en overzie de consequenties nog niet. Langzamer dan gehoopt snellen we naar de Grand Ballon. Nog voor de top komt de Gaul-renner terugwaaien. Ik heb geen idee wat hem is overkomen, maar feit is dat we hem goed kunnen gebruiken. Bij laatste 2 kilometer gaat het tempo nog even omhoog. Het steigingspercentage ligt tegen de 7% aan, en het is een onsmakelijk einde van een klim. Onder ons schieten de namen van Tourrenners door. Het is me niet helemaal duidelijk waarom iedereen harder wil. Is iedereen bang dat men bij de revataillering te veel tijd zou verspelen? Zou men de aansluiting met het groepje dreigen te verliezen. Feit is dat iedereen redelijk gaar boven komt en een heuse aanval doet op de waterpost. Ik gooi mijn 2 bidons vol en vraag nog om een klein flesje water. Ik probeer dat zo snel mogelijk leeg te drinken. Ik wil het niet moeten weggooien, ergens de berm in. Toch maak ik hier een grote fout: in plaats van 2 flesjes te vragen en met de groep af te dalen, vraag ik er één en drink ik het terplaatse op. Twee flesjes wegen dan wel een kilo als ze vol zijn, maar leeg wegen ze niets en kun je ze best meezeulen. In een moment van overmoed denk ik de groep in de afdaling wel bij te halen. In de mist ram ik naar beneden, maar het gat blijft er, al is het maar zo'n 10". Halverwege de afdaling doemt er een Vork-splitsing op. Rechts gaat langzaam naar boven om met een bocht langs de heuvel te verdwijnen. Links daalt naar beneden. Ik zie geen pijlen staan en weet even niet meer welke kant ik moet kiezen. Er is namelijk een punt waar een van de afdalingen even naar boven klimt, en met een bocht langs de heuvel verdwijnt. Maar was dat hier al? Ik knijp in de remmen, en voel besluitenloosheid opkomen. Dan zie ik links een fietser me tegemoet komen. "T'as vu des cyclistes qui descandaient?". Voor ik het weet vraag ik het nog een keer. Misschien heeft hij al antwoord gegeven, maar in de paniek laat ik geen ruimte om dat ook werkelijk te beseffen. "Ouai, ouai, c'est par là", en wijst naar beneden. Een laatste achterblijver komt langsvliegen. Ik stamp weer op de pedalen en ben nu echt kwaad. Op mezelf vooral, want dit kost erg veel tijd en kracht. Ik kom nooit meer bij die groep en na de afdaling komt de kruising met het stoplicht: de tweede groep zal nog wel voorrang gegeven worden, maar een eenzame daler? Die zal moeten stoppen. Tegen beter weten in probeer ik zo hard mogelijk naar beneden te komen. In de twee kasseienbochten wordt enige voorzichtigheid betracht, maar voor de rest is het 53x12 all the way.

Ik arriveer alleen in Willier sur Tur. Het stoplicht staat op rood en de agent sommeert me te wachten.
"Ça vas?", vraagt hij onderzoekend.
Ik zucht: "Ben non, j'ai raté mon groupe".
Even sta ik versteld dat ik nog woorden nog vind in deze consternatie, maar het helpt me weinig. Na een halve minuut waag ik toch een poging om over te steken en de agent houdt me niet tegen. De achterblijver is me komen vergezellen en even heb ik de hoop dat hij kan tijdrijden. Maar als hij overneemt zakt het tempo: hier heb ik niets aan. Ik beuk door op de rechte stuk met wind tegen, maar als ik de afslag richting de col du Hunsruck heb gemaakt, zakt me de moed in de schoenen. Tot overmaat van ramp klimt de achterblijver beduidend sneller en ik zal het alleen moeten doen. Het bos dat er tijdens de verkenning zo sprookjesachtig bij lag met het gefilterde licht door de bomen schijnend, is nu een plek waar ik geen greintje motivatie van kan onttrekken.
IMG_4596_1 (127K)IMG_4601_1 (153K)IMG_4608_1 (140K)
In de verte zie ik het steile stuk naderen. 'Als ik dat gehad heb, is het wat vlakker en is alleen de laatste 400m nog steiler.' Het scenario wat ik voor ogen had, namelijk hier pijn lijden, en de laatste 400m overleven kan de prullenmand in. Mentaal lijk ik geknakt. En waarom? Omdat ik meer drank tot me moest nemen dan de rest. En waarom? Omdat de overgrote meerderheid langs de kant bidons kan aannemen.
Uit wel heel onverwachte hoek wordt dan toch nog een pakketje motivatie aangerijkt. Uit de hemel komt het plots met bakken naar beneden. "Yes!", roep ik, terwijl op de achtergrond de lucht roffelt. Een zeer welkome verkoeling voor een geknakte stakker. 'Man, vecht!, na de Hunsruck is er nog 25 kilometer om tijd goed te maken, op een relatief vlak stuk. Daar wordt toch niet meer gereden.' Ik klim weer in de beugels en jaag mijn hartslag weer omhoog. Vlak onder top raap ik de achterbijver op en laat me naar beneden suizen. Hoewel het regent gaat het hard en de twee gevaarlijke bochten kom ik goed door. Beneden leg ik mijn onderarmen op het stuur, schakel zwaar en prent me in dit vol te houden tot de voet van de Ballon d'Alsace. Hoewel de hartslag niet boven de 150 komt gaat het wel hard. Tot mijn grote verbazing zie ik bij het binnenrijden van (dorpje tussen Masevaux en Sewen) mijn groepje voor me rijden. Het is niet te geloven: waar 35 kilometer beuken niet goed voor is. Ik zet me achterin de groep en kom niet meer uit het laatste wiel. Ik eet 2 repen, drink en rust uit. In Sewen grits ik bij een waterpost een bekertje drank uit de handen van een helper. Het is toch weer 0,2l vocht dat het lichaam kan gebruiken om de temperatuur op orde te krijgen. Wie weet komt het toch nog allemaal goed. Op de Ballon d'Alsace neem ik de koppositie over van het lichtgewicht met een 'leader du Grand Trophee'-hesje aan. Hij kan verdomd goed klimmen maar heeft geen meter kopwerk gedaan. Samen met hem slinger ik door de haarspeldensectie, enigszins onverwacht, weg van de groep. Hoewel ik in de verkenning hier op een grote versnelling naar boven ben gegaan merk ik dat dat nu niet gaat lukken. Een paaltje met '4' komt voorbij. Ik weet dat de top bij '1' ligt, en forceer. De hartslag vliegt naar 164, en na 5 uur is dat erg hoog. De renner van Gaul demarreert. Op een koffiemolentje ratelt hij naar boven. Ik ben jaloers en leg me neer bij het idee dat hij voor me gaat eindigen. "Ik moest pissen", als we hem even later weer oppikken. Ik red het om in één tempo naar boven te fietsen, mijn idool van de jaren '90 eer aan doende, en het is blijkbaar hard genoeg om de rest bij te blijven. Specifieker: op het tandvlees haal ik de top. Van binnen vier ik een feestje. Tijdens de afdaling blijf ik achterin zitten: hier rijdt toch niemand meer weg, daarvoor is het stuk 'vlak' erna van 30 kilometer tegen de wind in te lang. Ik concentreer me slechts op de bochten en probeer mijn nek wat te rekken. Dat kan alleen door je kin op je borst te drukken. Het gevoel is fijn en het korte termijn geheugen dwingt je bijna om zo te blijven zitten. Bijkomend gevaar is dat het bloed naar je hoofd stroomt waardoor je orientatie en evenwichtsorgaan niet goed meer functioneren. Achteraf analyserend denk ik dat dat de val in de Dolomieten heeft veroorzaakt: even de nek rust geven. Niet doen, althans niet in de afdaling.
IMG_4614_1 (79K)IMG_4616_1 (78K)
Als we Giromagney inrijden weet ik dat ik de afdalingen heb overleeft en het nu slechts een kwestie is van uitrijden. Hoewel, 'uitrijden' is een misplaatste term en doet afbreuk aan wat me nog te wachten staat. Ik weet maar al te goed dat het laatste uur meer is dan uitrijden. Ik ken het vlakke stuk goed en weet dat de korte klimmetjes op het grote blad te doen zijn. Je verspilt weinig kracht als je iets van te voren aanzet. Op het vals plat naar beneden naar Chaux komt een toerder ons te hulp: hij gaat op kop rijden in de wind. Ik laat hem een minuut of 2 begaan, maar wanneer het tempo echt zakt neem ik over. Na mijn kopbeurt wordt ik op mijn schouder getikt. Een man in een geel shirt, al wat ouder, en met ongeschoren benen, wijst me dat ik achterin moet gaan zitten. Hij vindt blijkbaar dat ik mijn werk gedaan heb. Zonder discussie volg ik zijn raad op. 'Ik kan echt wel achter in een groepje zitten hoor, geen probleem!' Wel een probleem is mijn vochthuishouding. Ik heb mijn laatste druppel uit mijn bidon geknepen en de volgende drankpost dient zich pas in Champagney aan over 20 kilometer, na de korte klimmetjes. 'Die mag ik niet missen, desnoods laat ik mijn groepje gaan.' Ik kan niet zonder water de hel in. Bijna op routine maal ik de laatste bergjes over, op het grote blad. De kracht is er wel uit, maar ook bij de anderen. Mijn oogkassen doen pijn. Is dat door het grote vochttekort? Ik voel mijn slapen kloppen. Zonder het te beseffen ben ik als een kikker in een warme poel die langzaam op een fornuis aan de kook gebracht wordt. Omdat de temperatuur gestaag stijgt springt de kikker er niet uit en zal uiteindelijk gekookt worden. Ik maal gestaag door, slechts gedragen door de wil om hoog te eindigen. Vorig jaar was ik één van de lijken gedrapeerd over hun fiets bij de laatste beklimming. Die fase heb ik nu al bereikt, alleen ben ik daar nog niet van doordrongen.

"Shit, dat was de waterpost!".
Achter een vrachtwagen verscholen staat een kraampje met flesjes water. We suizen er langs en even weet ik niet wat ik moet doen. Niemand stopt, iedereen denkt op de paar druppels die men nog heeft wel het einde te halen. 'Fuck it, wat zijn nu die 5 kilometer'. Feit is dat het een half uur harken is, plus 10 kilometer er naar toe. Wanneer vlak voor La Planche de Gaul renner en het Dolomietenpakje demareren kan ik slechts toekijken. De 'leader du Grand Trophee' springt er achter aan, maar kan het gat niet dichten. Ik pik aan bij de 'leader' en zit kapot. Er zit niets meer in mijn lijf wat kracht kan genereren. Ik dwing 'Leader du Grand Trophee' de kop op en ga in zijn wiel zitten. 'Zo jongen, ga jij maar eens wat vuil werk opknappen'. Ik schat dat we net 20km/u rijden, hartslag hangt op 130. Alle seinen staan op knappen. Achter ons is het groepje uit een gevallen. Iedereen is bij 20km/u los gereden. Uiteindelijk doemt La Planche des Belles filles op. "This is the sound of inevitability", aldus Agent Smith in the Matrix. Een geluid is er niet meer, het is vervangen door een holle blik, een blik van acceptatie, een blik van onderdanigheid. Ik weet al lang dat ik de berg op moet, en ook boven zal aankomen maar heb er geen zin in. Het bordje 'km 1 11,3%' schuift me tegemoet. Ik leg de 39x25 er op en weet dat dat niet voldoende is. Maar kleiner kan ik niet, ik heb geen bergverzet.
"Veingt et deux, veingt et trois", roept een toeschouwer naar mij.
TroisBallons1_1 (77K)
Drie-en-twintig? Jesus, ik lig gewoon 23ste. Ik kreun, het betekent dat ik door moet, ik zal die plek moeten verdedigen. Ik kijk achterom en zie hoopjes mens naar boven kruipen. In deze hel moet ik mijn plek gaan verdedigen. Een scenario waar ik geen rekening mee had gehouden, maar wat nu wel als enige optie overblijft. De drang om te overleven maakt plaats voor de verdediging van een plek. Ik zet aan, maar zak direct weer in het zadel. Aanzetten heeft hier geen zin meer. Elke watt die je hier op korte termijn te veel trapt zul je over 10 seconen te kort komen. Nog geen 200m verder zie ik de Gaul renner harken. Hoe goed getraind ook, iedereen rijdt hier met dezelfde snelheid naar boven. Iedereen heeft zichzelf aan gort gereden en de wil is nu de doorslaggevende kwaliteit. Degenen die nog willen, kunnen nog, degenen die denken niet meer te kunnen, willen ook niet meer. Ik probeer zo recht mogelijk naar boven te fietsen. 'Gewoon rustig blijven, je komt wel boven', probeer ik mezelf te overtuigen. Na de bocht komt het afdalinkje en kan ik even rust nemen. Ik probeer een tandje zwaarder te trappen en dat lukt zowaar. De wegduikende weg voelt als een finish en mijn hoofd sterkt zich voor mijn stuur uit: alles in mij wil zo snel mogelijk bij die afdaling zijn. Aan de zijkant staan mensen met flesjes water te zwaaien. Natuurlijk! Hier was ook nog een waterpost. Ik steek mijn vuist omhoog en pak het flesje aan. Ik pers nog een gelletje in mijn mond en giet de halve liter erachteraan. Het geeft moraal, het water, het idee dat er nog koolhydraten naar binnen kunnen en de afdaling. Even ben ik alles vergeten. Maar na 50 meter houdt de afdaling op en moeten de benen weer werken. De pijn schiet er in maar trap er door heen. Niet veel later zeilt het bordje 'km 3, 10,5% ' voorbij. Nog een zo'n bordje en ik zit op het 7,5% stuk. De hartslag klimt langzaam richting de 160. Alle handelingen spelen zich nu in seconden af. Eén seconde kijk ik omhoog, in 1 seconde verleg ik mijn handen, in 1 seconde denk ik dat ik dit tempo niet vol kan houden, in 1 seconde heb ik een fietser voor me in het vizier, in 1 seconde heb ik me overtuigd dat ik die fietser moet hebben, in 1 seconde vol ik mijn oogkassen, in 1 seconde zie ik het Dolomietenpakje op zijn triple rondmalen, en 1 seconde ben ik het allemaal weer vergeten. Rondmalen op een tripel: wat zou ik dat graag willen. Maar ook wil ik niet dat hij voor me gaat eindigen. Tegen beter weten in ga ik weer op de pedalen staan. Na 4 trappen zak ik weer ineen. Deze actie heeft de hartslag de 160 doen passeren en ik sta op knappen. De laatste kilometer is aangebroken en ik schakel bij. In een ultieme poging probeer ik snelheid te genereren. 'Over 3 minuten is het over, nu moet het nog even'. De ketting ligt op 39x14 ik stamp richting Dolomietenpakje. Maar ook hij heeft een sprint ingezet en ik kom een seconde of 10 tekort. Hartslag staat op 165 en ik weet niet waar ik het zoeken moet.
TroisBallons3_1 (79K)
Ik rijd een rondje over de parkeerplaats. Waar moet ik mijn fiets neerzetten? Waar is het water? Tegen de dranghekken moet ik 'm niet zetten, daar dondert zeker om. Ik leg 'm in het gras, en zie de Gaul-renner. Oprecht feliciteer ik hem:"Wat heb jij goed gereden zeg." "Nou die laatste klim, jeses, wat een gehark." Ook hij is kapot en kan alleen nog maar in het gras zitten.
Ik loop richting de kranen. Het is flashbacks all over the place: vorig jaar was de bidon over het hoofd gieten het enige wat me beter deed voelen. Nu lijkt het water te koud en doe dat maar even niet. Ik kan nauwelijks recht op staan. Het lijkt me verstandig om wat te gaan eten. Ik zie Oege langs komen lopen: hij is natuurlijk al een tijdje binnen.
"He Oege, hoe is het gegaan?". Deze zin dwingt me ergens op te focussen, in plaats van na te denken wat ik zou moeten doen om me beter te laten voelen. Het weerhoud me van beslissingen nemen en dat doet goed. Ik probeer zo fit mogelijk te kijken.
"5de, had gehoopt om meer, maar kreeg hongerklop op een van die laatste bultjes. Op La Planche nog wel twee opgeveegd."
"Goed man", kan ik uitbrengen.
"Hoe heb jij gereden?"
"22ste volgens mij, ja, ben erg tevreden"
"Oh, goed hoor, wacht even hoe heet jij?"
""Dimitri Lafleur"
"O! Jij was 2de bij het DK tijdrijden! Daar was ik Xxde"
"Ja omdat je geen tijdritstuurtje wilde monteren!"
"En nu 22ste, knap hoor". Tja zo had ik het nog niet bekeken.
Ik loop naar de kranen en vul mijn bidon. Misschien moet ik maar wat gaan eten, daar knap ik vast van op. Ik begin met een wortelsalade. De pasta laat ik even staan, ik vertrouw mezelf niet toe dat ik 2 bordjes veilig naar een tafel kan brengen. Ik plof neer, en probeer een houding te vinden die geen pijn doet. Ik zet mijn elleboog op tafel en ondersteun m'n hoofd met mijn hand. Mijn nek doet pijn en de slapen bonken. Hoewel ik dacht in deze houding veel spieren te kunnen ontlasten, kom ik niet tot rust. Ik strek mijn rug en haal diep adem. Elke hap die ik neem gaat gepaard met een diepe teug lucht. Af en toe een stille korte kreun: blijkbaar moet zelfs dat eruit. Twee-en-twintigste, in een tijd minder dan 7 uur. Ik voel dat ik er trots op ben maar kan er nog niet van genieten. Wanneer gaat die pijn eens weg? Ik kijk om me heen en zie een handjevol mensen zitten maar de gelaatsuitdrukkingen worden niet opgeslagen. Als ik de salade naar binnen heb geschoven ga ik toch maar even lopen. Er moet toch een manier zijn om tot rust te komen. Misschien moet ik mijn schoenen uit doen. Misschien is het asfalt te heet en zijn al die steentjes pijnlijk voor de leme voethuid. Toch maar aanhouden. Ik ga de pasta halen en ga weer zitten, tegenover de Gaul-renner, Bas Convoy. We evalueren de cyclo en zijn het erover eens dat die Fransen alleen maar bergop kunnen rijden en zeer egoïstisch zijn. Eigenlijk wist ik dat al, maar wordt nog maar eens bevestigd. Hij zakte op het plateau terug uit de groep achtervolgers omdat hij kramp kreeg. Er werd tegen de 50km/u gereden, er werd serieus geprobeerd de kopgroep te achterhalen. Logisch dat mijn groepje dat niet meer inhaalde, bij ons werd niet gereden. En dat ondervond hij ook. Hij eindigt als 14de.
Even later schuift ook het Dolomietenpakje aan, XXX van XXX. We complimenteren elkaar, en hij blijkt vooral marathonloper te zijn. Ik voel een minderwaardigheidsgevoel opwellen maar onderdruk het met het idee dat ik 'm echt wel te pakken had gekregen met een tandje lichter. Ook de man met het gele shirt is aangeschoven, XXX. Hij is XXXste geworden en 5de in zijn categorie. In 2004 was hij XXXste in de Marmotte, dus een klasbak puur sang in schaapskleren, met zijn ongeschoren benen. Ik voel opknappen, blijkbaar heeft het lichaam en geest een kwartier nodig om enigszins te herstellen van zo'n marteling. Het is een raar gevoel: je weet dat je je binnenkort beter zult voelen, maar je voelt je ellendig en je kunt met geen mogelijkheid een houding vinden die je daarbij helpt.
Enige tijd later wijst Bas naar de parkeerplaats. Daar staat Joost te trillen op zijn benen. Zijn ogen zijn half gesloten, de oogleden trillen. "He Joost! Geweldig!", roep ik. Het klinkt zowaar fris en past niet bij hoe hij erbij staat. Ik loop naar hem toe.
"Dit doe ik nooit meer", perst hij eruit. Zijn ogen staan hol en elke gezichtsuitdrukking heeft zijn gezicht verlaten. Ik lach:"Zo voelde ik me ook, binnen een kwartier voel je je beter", probeer ik. "Ga zitten, ik ga wat water voor je halen."
Als ik terug kom gelopen staart Joost als een sfinx voor zich uit. Het laat maar weer zien hoe ver een mens zijn lichaam over de rand kan duwen door middel van wilskracht. De pijngrens wordt gedefiniëerd door pijnprikkels maar kan door wilskracht telkens maar weer verder verschoven worden. Uiteindelijk kan de marteling zo lang duren dat het lichaam langer nodig heeft om bij te komen. Hoe doen die profs dat toch? Die komen over de meet, en krijgen direct een microfoon onder hun neus gedrukt, met als enige doel: emotie-TV.
HF (72K)
IMG_4732_1 (133K)IMG_4734_1 (198K)

IMG_4737_1 (155K)IMG_4741_1 (189K)
Lest-Republican-20070608_1 (186K)
L'Est Républican, 8 juli 2007