Perpetuum Mobile
Een verslag van de 30ste Ronde van Brabant, Liessel, 6 mei 2007
Waar zoek je naar als je naar de juiste concentratie zoekt voor een wedstrijd? Je zoekt het gevoel dat je in herinnering als euforisch hebt opgeslagen. Je zoekt naar de spanning op de benen die je het vertrouwen geeft dat het goed zit vandaag. Je zoekt naar een indicatie waar je uit kunt afleiden dat je op driekwart van de wedstrijd nog extra gas kunt geven, al zit je al op je maximum. Op zoek naar bevestiging dat het goed komt, dat je door de verzuring heen kunt. Je zoekt naar agressie, naar een fictief pipet ammonium waar je aan snuift. De zure lucht over je longen laat gaan, en door je neus weer uitblaast. De oneindigheid inkijken en je ogen uit je kassen kunnen kijken. Om vervolgens die agressie in banen te leiden, dienend als onstekingsmechanisme van de energie-explosie. Je bent op zoek naar rust, innerlijke rust, terwijl je hart de benen voor de wedstrijd voorzien van de juiste ‘tonus’. Je ademt een keer heel diep in, je longen een zuurstofmassage geven, zodat je hart voorzien wordt van extra goed bloed, en het langzamer gaat kloppen door die verwentruc. Je wilt je lichaam leiden naar de juiste instelling. Maar die bevestiging komt er eigenlijk niet. Je kunt je lichaam niet sturen, dat is al voor je gedaan: tijdens de voorbereiding, tijdens de nachtrust. Je kunt je zinnen niet zo zetten dat het iets zal toevoegen aan de lichamelijke gesteldheid. Eigenlijk is het slechts het volmaken van de tijd voor de start, jezelf voorbereiden op het feit dat je enorm gaat pijnlijden, een half uur, driekwartier, een uur lang. Soms zie je er tegenop, soms kan het niet snel genoeg beginnen. Soms hoop je slechts dat het goed zal komen, soms wil je jezelf letterlijk kapot rijden. Soms hoop je dat je mee kan met een groep, soms weet je dat je iedereen aan gort gaat rijden.
De overbrugging van tijd is een innerlijk gevecht van tegenstrijdheden die als een slecht samenwerkend team ronddwalen in je hoofd. Omdat de mens nu eenmaal controle over de situatie wil hebben probeer je er structuur in aan te brengen, je probeert je gedachten te ordenen, je probeert er op een of andere manier je voordeel mee te doen: hoe destilleer ik hier een gemoedstoestand uit waarmee ik beter de wedstrijd begin? Wat zou er gebeuren als je het gewoon z'n beloop laat? En hoe zou je dat dan doen? Kan de mens z’n gedachten wel de vrije loop laten? Is het niet eigen aan de mens om er, door er aan te denken, structuur in aan te brengen?
“De truckers liggen ver voor op schema, dus we zullen in Deurne vrachtwagens tegemoet komen. Houd goed rechts en kijk uit! De neutralisatie is 1800m daarna wordt de koers vrijgegeven.”
Het aftellen van de laatste seconden. Ik sta helemaal vooraan aan het startveld. Ik heb iets van mijn warmrijdtijd afgesnoept om hier op de streep te staan, i.p.v. achteraan. Op het parkeerplein heb ik me op de Tacx warmgereden, lekker warmgereden. Veel bekijks, verder is er niemand die dat doet. Het kan me niets schelen. Dit is mijn manier, en volgens mij zeer effectief. Dus het zal me een zorg zijn wat anderen daar van vinden. De intervalletjes en de anaerobe zone even opgezocht bij een klein rondje rond Liessel. Hartslag 174 aangetikt. Juist, dat is’m. Het idee dat ik zo’n 3 uur op het tempo van de wielerbaan zal moeten rijden beangstigt me. Ik zal en moet mee, en iets in me zegt dat ik dat ook kan. Misschien ben ik vooral bang voor de – geknakte – gemoedstoestand als het niet meer lukt om het gaatje dicht te rijden en ik de afstand steeds groter zie worden. Of berust ik dan en kan ik dan pas voluit gaan? ‘God vent, houd nou es op met dat denken’. Het peleton komt in gang. Daar ga je jongen, zie maar hoe ver je komt, gewoon blijven stampen. Het eerste uur overleven, daarna maar eens wat probern. Binnen drie uur ben je klaar.
Een neutralisatie is eigenlijk een verkapte term voor ‘een plekje vooraan vinden’. Na 1800m zit ik rond plek 50. Je moet blijkbaar ook niet áchter de auto van de wedstrijdleider gaan zitten, maar ernaast. Hoewel dat niet duidelijk lijkt, is het een feit dat je in het midden gewoon naar achteren wordt gedrukt. ‘Hier moet ik niet zitten’. Gecontrolleerd probeer ik naar voren te schuiven. Wildebrassen zwiepen met hun fiets, misbruiken het trottoir. Alles lijkt geoorloofd om uit de wind te zitten. Door de wind heen schuif ik plaatsen op. Het kan me niet zoveel schelen of ik nu in de wind rijd of niet. In de eerste 2 minuten wordt het tempo opgeschroeft van 50 naar 56. Hartslag 161 (niet dat ik dat gecheckt heb op dat moment, dat lees ik nu af van mijn Polar) Af en toe klinkt het ‘midden’, ‘auto links’, ‘rechts’. ‘Midden’ houdt in dat er een obstakel in aankomst is, meestal een verhoogd verdrijvingsvak, met of zonder paaltje, met of zonder agent-met-gele-vlag-en-schel-fluitje. ‘Rechts’ is een teken dat er een bocht aan komt. Het wildemanskoersen valt me mee. Het gaat verschrikkelijk hard, maar als je geconcentreerd bent, en je niet opwind als je 20 plekken zakt, is het prima te doen. Mijn oren hebben zelfs oog voor het geluid van het peloton wielen om me heen; een zacht gesuis, bijna rustgevend. Ik heb maar één missie: overleven, het eerste uur overleven. Ik heb geen idee hoe zo’n wedstrijd verloopt, dus eerst maar eens handhaven.
Ik krijg een tik op mijn rug. Marco Bergman komt langs en geeft een teken dat ik mee moet. In een split-seconde krijgt mijn motivatie een boost. Alsof het een teken is dat ik er bij hoor. Ik spring in zijn wiel en met z’n tweëen racen we naar voren. Ook dit gaat vrij makkelijk. Het idee dat je na zo korte vermogensstoot even kunt uitrusten in geruststellend en is het prima om even door de wind te moeten. De kop van het peleton komt in zicht. Het geheel wordt nog overzichtelijker wanneer we de eerste dorpjes gehad hebben. Ik zie Joris en Rob zitten. Beide zien er goed uit. Niets straalt uit dat ze het moeilijk hebben. Geweldig, we doen gewoon mee in de Ronde. Jean-Pierre heb ik nog niet gezien. Na zo’n uur komen we over het kruispunt van de N272, een 4-baansweg, met een groot aantal stoplichten. Aan beide zijden wordt het verkeer tegengehouden door politie. Het is een moment van genieten, een Tour-de-France gevoel. Kijk nou, het verkeer wordt stilgelegd voor een stelletje breedtesporters. Met een volle teug neem ik het moment tot me. Net na het kruispunt dwaalt mijn blik naar de rechterkant. Warempel, ik zie mijn moeder staan, met een fototoestel in de hand. Ik steek een vinger op. Ze ziet me, en roept iets. We hadden het niet afgesproken. Ik had vanmorgen slechts laten vallen dat we rond 15:00 bij St. Antonis langs zouden komen. Stom eigenlijk, hier had de hele familie kunnen staan. Maar omdat ik het nut en belang er niet van in zag, had ik er verder niets over gezegd.
Op het moment dat ik mijn vinger omhoog steek, stel ik mij in op een scheldkannonade. Alsof het ongeoorloofd is om vrienden of familie langs de weg te begroeten. Er komt niets. Wel komt er vernieuwde energie in mijn benen vrij. Eindelijk heeft iemand van de familie daadwerkelijk gezien dat ik mee rijd in een peloton á 50 in het uur. Het eerste uur gaat in 47,7km/u (zonder neutrallisatie). ‘Het moet maar eens beginnen’, zeg ik in me zelf. Ik stamp naar voren. Al dat navigeer ergens middenin, het begint me te irriteren. Renners die kost wat kost – of de kunst uitzonderlijk goed verstaan om – ergens in een wiel te zitten, uit de wind, met alle zwiepers van dien, ik moet er niets van hebben. Over zo’n 10km zitten we in Venhorst en daar wil ik per se vooraan zitten.
Op weg hiernaar toe heb ik met Rob een deel van het parkoers gereden en dat schepte vertrouwen. Het gaf me ook een Marmotte-gevoel: een gevoel van macht, van opperste controle: alsof het verkennen van de route een voorwaarde maar ook voorbode is voor makkelijker rijden. Versmallingen en drempels waren nu minder abrupt. Tempoversnellingen net na een versmalling of drempel waren verwacht en kostten dus minder energie. Nog geen kilometer verder zit ik voorin en wil hier niet meer weg. De route draait hier naar het westen, tegen de wind in. Ik ga als eerste de bocht door, en trek hard door. Althans voor mijn gevoel, er wordt niet overgenomen. Ik ben van mening dat als het vroegtijdig zou breken het op deze strook van 15km moet gebeuren. Er onstaat een een waaiertje van zo’n 10 man en we zijn los van het peloton. Zie, één ferme ruk, net als donderdag op de wielerbaan en het is voor mekaar. Nu nog hopen dat het zaakje wil rijden. Ik draai mijn kopbeurten en heb het idee dat iedereen wel wil. Ik zou moeten genieten van het plaatje wat ik voor me zie: de auto van de wedstrijdleiding, daarvoor wat motards om het verkeer aan de kant te krijgen. Maar dit kost kracht, tegen de wind in, en er kan slechts een innerlijke glimlach vanaf. Ik heb geen idee hoelang we een gaatje hadden. Misschien duurde het maar een kilometer, misschien was het gaatje een seconde, ik heb niet achterom gekeken. Maar het gevolg is wel dat dat ik het voorelkaar krijg om in de pelotonwaaier te zitten ondanks het gedrang achterin de waaier: iedereen wil natuurlijk mee uit de wind, maar niet mee draaien. En dus is lastig om als van kop komende je weer in te passen op de kant. Voor je het weet blijf je in de wind fietsen en zak je 30 plaatsten terug. Met z’n 10 houden we het tempo zo hoog dat er geen andere kop wordt opgezet en we met z’n tienen kunnen blijven draaien. Het kost minder kracht omdat je maar zo’n 10 seconden aan de bak moet. De weg is hier bochtig en het navigeren om uit de wind te zitten vereist wat concentratie en stuurmanskunst. Je moet immers van links naar rechts om ook echt uit de wind te zitten.
Zo komen we zonder kleerscheuren door Venhorst en Boekel. De lastigste drempels, versmallingen en haakse bochten op rotondes hebben we gehad. Dan stokt het tempo wat. Kans om wat te eten. Een vantevoren geopende energiereep, opgewarmt door mijn rechterdij gaat makkelijk binnen. Ik plaats een nieuwe gel onder mijn broek. Drinken gaat ook prima. Ik ga het halen met 1,25l, hoewel ik aan de finish waarschijnlijk een flink zout gezicht zal hebben. Ik heb vantevoren veel gedronken en dus volledig gehydrateerd aan de start.
Aan de rechterkant gaat Rob ervandoor. Hij rijdt sterk, zit goed mee in het peloton en is nu zelfs even een nieuwe kop aan het opzetten. Renners springen in zijn wiel, en het valt even stil. Ik dirigeer mezelf weer naar voren. Ik moet niet in het peloton zitten. De hartslag zakt naar 145. De koers moet harder, als we zo naar de streep tuffen dan heb ik geen kans op een hoge klassering: ik ga niet met een peloton meesprinten. Vorig jaar was er een massale valpartij 500m voor de streep: iedereen wilde aan de binnenkant de bocht door. Stelletje dolle stieren. Als het zover komt, dan heb ik een fout gemaakt: ik had al weg moeten zijn. Ik moet maar eens wat van die 30” tempoversnellingen gaan opzetten. ‘Dan valt het vanzelf uitelkaar’, zo dacht ik. Ik schakel een tandje bij en demarreer. Na 10 seconden kijk ik om, er zitten twee man in mijn wiel. Eentje neemt over. Maar twee man, daar gaan we het niet mee redden. ‘Gewoon doortrappen: als het de juiste ontsnapping is komen er vanzelf meer bij’. Maar even knakt er iets. De twee rijden weg. Nee, met z’n driëen heeft het geen zin. Een seconde later zie ik mezelf op de pedalen staan. ‘Gewoon doortrappen: als het de juiste ontsnapping is komen er vanzelf meer bij’. Ik sluit aan bij de twee, met, in mijn herinnering twee of drie anderen. “Kom op jongens, draaien!”, roep ik. De anderen doen een poging, maar we worden teruggepakt. De wind is schuin van voren, dus een kopgroepje zou moeten kunnen. Toch verdenk ik er veel van dat ze kracht gewoon niet hebben. Ik voel mijn benen wel iets, maar alle versnellingen vang ik redelijk makkelijk op. Als het zo door gaat dan is de kans groot ik de vier plaatstelijke ronden van 9,7km ga halen, voor in het peloton.
De weg van Bakel naar Deurne is kaarsrecht. Langs de kant staan af en toe auto’s iets te veel op de weg. Dat is irritant omdat de renners toch zoveel mogelijk de rand gebruiken om uit de wind te zitten. Daar waar je kunt rijden, zullen renners rijden. Elke keer als er een auto geparkeerd staat is het uitwijken geblazen. Het gaat redelijk gecontrolleerd, maar het blijft oppassen.
De renner rechts van wijkt opeens naar rechts, en remt. De renner links van me stuurt naar rechts. Ik rijd dwars in een fuik, een gelijkbenige driehoek opgezet door twee fietsers en kan nergens heen. De renner rechts van me verliest de controle en renner links dendert naar rechts. Het volgende moment voel ik mijn helm tegen het asfalt slaan. Ik zit op het asfalt, met de rug naar het peleton, en druk met mijn handen mijn hoofd naar benenden. Het geluid van geslip, gekletter van fietsen en geschreeuw van door het instinkt ingegeven klinkers. Iemand duikt over me heen, voor de rest passeert het geheel langs me heen. Dan wordt het snel stil.
Zo snel gaat het dus: het ene moment zit je met gepaste trots te genieten dat je hier rijdt, het volgende moment schaaf je over het asfalt, als vuil achtergelaten door het perpetuum mobile peloton. Er is geen inleiding, geen opmaat voor de Grote Smak, geen bordje van de filmregisseur dat aangeeft dat je moet gaan liggen. De gelijkenis met de Dolomietenmarathon dringt zich op. Dezelfde stilte, dezelfde eenzaamheid is aanwezig. Hoewel er nu wel renners in de buurt zijn die dezelfde teleurstelling moeten verwerken ben je opzoek naar iets of iemand die kenbaar maakt dat er begrip is voor hoe je je voelt. Maar is niemand, er is niets dat aanleiding geeft tot die aanname.
De teleurstelling wordt snel groter en de moed zakt me in de schoenen. Waarom? Waarom ik? Ik had alles onder controle, reed zeker, had het initiatief, voelde me sterk, en dan word je van de sokken gereden door anderen. Ook al had ik vol in de remmen geknepen, ik ben gewoon klem gereden. Het is gewoon niet eerlijk! Dan is berusting, en opluchting. Ik loop immers gewoon rond, innerlijk stampij makend met de renner die het allemaal veroorzaakte. Verhaal gaan halen heeft geen zin, kwaad worden ook niet. Er moet slechts plaats zijn voor opluchting: ik kan morgen gewoon gaan trainen in de Vogezen, mijn benen doen het nog. Ik voel een verdoving aan beide ellebogen. Langs beide onderarmen gutst het bloed naar beneden. Mijn kleding zit onder het bloed, en mijn voorwiel loopt aan. Nee, de wedstrijd zit erop, besluit ik. Het duurt een tijd voordat ik aan de beurt ben om verzorgt te worden, er zijn er zo’n vijf gevallen. Er worden wat vellen van mijn ellebogen afgeknipt, jodium erop en een gaasje erom. “Vroeger deed ik dat met een schuursponsje. Even flink boenen, al het vuil er uit en na een week was er niets meer van te zien”, aldus een Shell-collega vorige week, met een verhaal uit de oude doos uit de tijd dat hij zijn wedstrijdjes reed. Ik krijg er kippenvel van, hoe haal je het in je hoofd. De sfeer hier midden op de weg is goed, de ehbo’ers hebben er zichtbaar plezier in – waarschijnlijk omdat de koers tot nu toe probleemloos is verlopen. Ik voel me ook uitstekend omdat ik ondanks de flinke smak er vrij ongedeerd uit ben gekomen. Een Duitser vraagt of hij mijn achterwiel mag hebben om de koers uit te rijden. Ja, waarom niet: die doet het nog, en hij wil graag verder rijden. Alleen al om het internationale aspect geef ik mijn wiel, en in uitstekend Duits wisselen we de parkeerplekken van onze auto’s uit. Ik raap de kapotgeslagen onderdelen van mijn zonnebril bij elkaar, en begeef me naar de bezemwagen.
Zo vervolgen we onze weg richting de finish. Onderweg komen we een gelost groepje met TH’ers en een Kannibaal tegen, erafgewaaid. In Liessel zelf komt juist de kopgroep langs, voor de eerste plaatselijke ronde. Ik zie mannen van het tweede uur zitten, dezelfde gasten waarmee ik op kop heb gedraaid. Eenzelfde teleurstelling maakt zich even van me meester. Vooral gevoed door de stellige overtuiging dat ik daar bijgezeten zou hebben. En als ik ze van te ver had zien vertrekken had ik de benen gehad om aan te sluiten. Op een halve minuut komt er een tweede groepje langs, met warempel Rob op kop! Damn, slag gemist, maar wel rammen op kop. Wat rijdt hij een sterke wedstrijd. Iets daarachter volgt een derde groepje, met Joris. Geweldig, hij is er ook nog bij. Het is ongelofelijk wat dat uitje naar Brazilie teweeg heeft gebracht.
Via de portofoon wordt duidelijk gemaakt dat we mogen gaan rijden. Geloste renners worden opgeveegd. Een enkeling beseft dat hij de bezemwagen achter zich heeft zitten, en doet nog een verwoede poging om een tandje bij te schakelen. “Er langs?”, vraagt de chauffeur aan de bijrijder. Deze houdt zijn mond. De chauffeur houdt in. Ik verdenk de bijrijder ervan een wedstrijdleider te zijn. Maar bovenal een wielrenliefhebber. Hij kan het niet over zijn hart krijgen om een zo stoempende renner zonder blikken of blozen voorbij te rijden. Hij geniet van deze laatste stuiptrekkingen, die hij zelf maar al te vaak heeft meegemaakt, toen hij zelf koerste. De mentale klap die je krijgt als je door de laatste wagen voorbij gerederen wordt is onplezierig, en hij spaart deze renner. “Valpartij!!”, krijst de portofoon. Iets voor ons zie ik de remlichten van politiewagens oplichten. De renner voor ons heeft nog niets in de gaten, maar wordt bijdeze geholpen door een valpartij. Hij zal de koers uitrijden.
Als we dichterbij komen, zie ik tot mijn schrik een CS-shirt in de berm liggen.
“Shit een ploeggenoot, mag ik eruit? Ik moet eruit!”
Niemand die me tegenhoud. Het is Joris. Ik leg mijn hand op zijn schouder. Als hij me aankijkt, komt me een lege blik tegemoed. Zijn ogen vragen wat ik hier doe. “Het ging zo goed”, klinkt het bedust, en ook al berustend, op een toon zoals alleen Joris iets berustends kan zeggen. Het is dezelfde teleurstelling, en ik kan ‘m niet helpen. Het is ieder voor zich, in deze. Hij is er bekaaider van afgekomen dan ik: hij kan op de fiets naar de finish.
In de berm ligt nog een renner, ook al met droefheid op zijn gezicht. Het is de man van de auto naast me op de parkeerplaats. Mijn hersens spuien causale verbanden, maar ik wil er niet aan en druk ze weg.
Bij de finish staat redelijk wat publiek. De laatste rechte lijn is met dranghekken afgezet. Ik ben te laat om Rob de laatste omloop in te schreeuwen. Prompt loopt de Duitser wie ik mijn wiel heb gegeven me tegen het lijf. Hij heeft een SRM op zijn fiets zitten. Brr, crashen met een SRM gemonteerd. We wisselen wielen uit en ik voel me voldaan dat ik hem het uitrijden hebben kunnen schenken. Ik zie de winnaar solo finishen, met op 6 seconden een klein groepje, nog steeds de mannen van het tweede uur. Damn, wat mooi. Het zou toch mooi zijn als dat een keer lukt? Ik heb geen referentie waarom het zou moeten lukken, maar het gevoel dát het een keer lukt, laat me niet los. Zo’n anderhalve minuut achter de winnaar komt de tweede groep over de finish gedenderd. Hier zit Rob in, maar mijn camera laat me in de steek. Hij wordt 33ste, heel erg knap. De Buffel uit Eelde doet gewoon waar hij voor kwam: een goede uitslag rijden. Hij rijdt als enige CS’er de 129km uit, met een gemiddelde van meer dan 44km/u.
Onder het genot van een goede maaltijd bij de plaatselijke koster concluderen we met z’n vieren dat dit ontzettend gaaf was. De een wat meer ontgroent dan de ander, de een wat meer resultaat dan de ander, maar allemaal beseffen dat we beestig goed gereden hebben, en dat CycleSport gewoon mee doet.
Tijdens de korte stiltes gedurende de hoofdmaaltijd flitsen ogen langs elkaar, kijken elkaar aan, maar zeggen niets. Voor mij sprak er vooral ongeloof en dagdromerij uit. Ongeloof dat we dit gepresteerd hadden, dagdromerij over wat er nog meer ingezeten had.
Na het eten scheiden onze wegen. Jean-Pierre, Joris en Rob rijden naar Groningen, ik heb een afspraak in het ziekenhuis in Helmond, alvorens naar Luxemburg te rijden. De ehbo-assistente vond de wond aan de rechterelleboog te diep om zonder extra controle te laten genezen. Mijn fiets blijkt overigens helemaal niets aan de crash overgehouden te hebben: het voorwiel stond gewoon iets scheef en daarom liep het aan. In principe had ik dus door kunnen rijden. Met of zonder verzorging. Ook had een wiel kunnen vragen van de op het laatste moment geregelde materiaalwagen van Gaul. Rob had het voor elkaar gekregen dat zij wel wilden instaan voor ons. Zeer collegiaal, en zeer correct. Maar die gedachte is niet een seconde in me opgekomen, de moed was al te ver in de schoenen gezakt.
In Helmond rijd ik in een keer goed naar het ziekenhuis. In de wachtkamer zendt de televisie AZ-Ajax uit, de bekerfinale. Het is 1-1. Zou het AZ nu wel eens lukken? De dokter kijkt eens naar de verwondingen en drukt op mijn ellebogen.
‘Gevallen met fiets’, leest ze voor uit het rapport opgemaakt tijdens mijn telefoontje naar de dokterspost.
‘Wel behandelt tijdens de wedstrijd’, voeg ik er aan toe.
Ze kijkt op:’O, was dat die grote wedstrijd hier in de buurt?’
Binnenin wordt het vuurtje van trots weer opgestookt. ‘Ja, die ja’, glimlach ik, veronderstellend dat er niet nog een – grotere – wedstrijd aan de gang was.
‘Met de pijn valt het wel mee, lijkt het?’ Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. Ik voel inderdaad niet veel pijn maar of dat nu door de verdoving komt, aangemaakt door mijn lichaam, of doordat het allemaal wel meevalt, kan ik niet zeggen. De assistente zal het verbinden. ‘Dank u wel’, zeg ik beleefd en geef haar een hand. Ik voel me een kind, dat met zijn driewieler tegen een boom is gereden en, met zijn ouders op vakantie, door de buurvrouw verzorgd moet worden. De assistente blijkt de receptioniste te zijn. Een jaar of twee afgestudeerd, en nu werkzaam in de avonddienst van het enige ziekenhuis van Helmond. Ook dat nog, opgelapt moeten worden door een meisje van 23. De ellebogen, à la, maar mijn achterste? Ze zal het wel vaker gezien hebben. Maar het idee dat ik opgelapt wordt, op een massage/doktersbed, na een koers, doet óók alweer goed. Het is een grote wielerervaringsorgie. Ik doe mijn ogen dicht en geniet weer even.
Op naar de Hel.