Een verslag van Tijdrit Warns, 7 km

Warns, Nederland, 7 April 2007

leaver dea as slaef”

 

26 September 1345.

De vloot van Willem de IV was zonder problemen de Zuiderzee overgestoken. Een deel kwam aan wal in Stavoren, de rest meerde aan in het land van de Friezen bij Laaxum. De bedoeling was om het Sint-Odulphus klooster bij Stavoren in te nemen en te gebruiken als vesting, om zo een ferme voet aan de grond te krijgen in het Noorden. De Hollanders waren erg goed uitgerust tot aan zware harnassen aan toe. Paarden daarintegen waren er niet. De laadruimte was ingenomen door bouwmateriaal en werkvolk, dat belangrijker werd geacht. Zo kon direct een begin gemaakt worden met de bouw. Het was een afweging geweest. Welke tegenstand was er nu te verwachten? In Laaxum en Warns werden de huizen in brand gestoken en het leger trok richting Stavoren, waar het zou hergroeperen met de leger onder leiding van hertog Jan van Beaumont. Maar net buiten Warns werden de ridders van Willem IV aangevallen door uitzinnige boeren en vissers. Tegen zoveel woede was het moeilijk vechten voor ridders tot de kin toe bewapend met loodzware bepansering: de bezetter werd overdonderd en teruggedreven richting de moerassen van de Rode Klif, met zijn 10m hoogte een flinke heuvel in het platte landschap. In de drassige klei werden de Hollanders verpletterend verslagen. Ook Willem IV kwam om het leven. Toen het nieuw Stavoren bereikte maakt hertog Jan van Beaumont rechtsomkeerd richting schepen, achtervolgd door de Friezen. Slechts een handjevol keerde, geknakt, terug naar Amsterdam.

http://www.nijefurd.net/fnp/Slach%20bij%20Warns.htm

http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Warns

 

 

Link naar Warns tijdrit parkoers

 

7 April 2007.

Even is Warns het Monaco van Nederland. De pracht en praal die hier zijn rondjes rijdt is verbluffend. Wielrenners op open wielen springen bijna nog meer in het oog dan op dichte. Het is een fait à compli: je moet een volledige tijdrit-uitrusting tot je beschikking hebben om überhaubt serieus genomen te worden. Sinds een maand of 2 ben ik de trotse bezitter van zo’n machine, en wat voor één. Het enige nadeel is dat ik er nog weinig op getraind heb. Omdat ik het niet aandurf om erop naar mijn te gaan, zie ik weinig kans om er op te trainen. Ik moet het er een keer inpassen om de zit me eigen te maken, om die spiergroepen die je in een tijdrithouding gebruikt te ontwikkelen. Het zal gaandeweg het seizoen er wel van komen.

Het is een mooie dag, met de 12 graden is het zelfs goed toeven in de zon. De wind maakt het echter een stuk kouder. Tijdens het inrijden is het bikkelen op de dijk, maar ik kan de renners, die al bezig zijn met hun tijdrit goed volgen op trainingstempo. Het is meer spielerei: ik zit te genieten op mijn Cervelo en ben met mijn gedachte nauwelijks met de wedstrijd bezig. Een steigerung wind mee eindigt op 66km/u, op de 55x11. Ik geniet met volle teugen.

In het dorp komt Steven langs denderen. Zijn voorbereiding is iets te kort, iets te stressvol. Het ziet er wel snel uit, in ieder geval sneller dan alle eerdere renners die over de kasseien kwamen denderen. Léon en ik schreeuwen hem na. Hij heeft er al 2,5km opzitten, over een minuut of 6 is hij alweer klaar. Ik doe nog wat steigerungen en rijd naar de start. Voor me start Marco Bos, de tijdrijdbeul uit Bolsward. Hij start op een zwaar verzet, maar lijkt snel op snelheid te liggen. Ik schakel een tandje zwaarder. Ik heb geen idee of ik anders te snel moet schakelen en zo kostbare seconden verlies. “Ik heb er wel zin in”, mompel ik tegen Steven. Het komt er nog al onhandig uit. ‘Wat doe ik hier anders dan...’

Na de start kom ik tergend traag op gang: ik sta veel te zwaar geschakeld en moet alle zeilen bijzetten om op snelheid te komen. Mede door de wind in de rug zit ik toch in een mum van tijd boven de 50 en dender richting Warns, de woedende boeren tegemoet. In het dorp was het moeilijk om weer een ritme te vinden. Ik heb hier wind in de rug, maar kom maar moeizaam op snelheid: gefopt door het valsplat. Pas buiten het dorp komt de 50 weer in zicht en ram maar eens naar het maximale. Bij 55 stokte het, mede door een stukje valsplat. Het is voldoende om me te laten meegaan in de gedachte ‘nog iets overhouden voor later’. Later? Welk later? Er zijn nog wel 3 hele kilometers af te leggen. Toch is het kwaad al geschiet, de seconden tikken voorbij en draai naar rechts, om na een kleine afdaling de wind vol tegen te hebben. Steven had het idee dat de wind het minst aanwezig was midden op de weg. Ik kleef aan de witte onderbroken streep, dwing me richting de 41, maar zie de hartslag langszaam oplopen. ‘Dan maar 40 vasthouden’. In de verte doemt de Rode Klif op. “Stampen, stampen, stampen! Hoe hoog is de puist nou helemaal?” Toch zakt de snelheid richting de 35km/u en kom buiten adem boven. Je zult hier maar met loden harnas naar boven moeten rennen.

 

Ik slaak ongecontrolleerde kreten, doorspekt met angst. Ik ren met mijn loden harnas naar boven, achtervolgt door ziedende boeren, klaar om zijn verroestte botte drietand in mijn rug te planten. Mijn bovenarmt verzuurt door de last, maar als ik ‘m afwerp ben ik al mijn verdediging kwijt. Op leven en dood trek ik me naar boven, mijn longblaasjes knappen met tientallen tegelijk. Maar van een getergde boer, die liever dood is dan slaaf, kan ik het niet winnen. Zonder wroeging jaagt hij zijn drietand tussen mijn wervels. De zilte Zuiderzee kan ik ruiken maar oversteken zal ik hem niet meer. Waarom kom ik hier aan mijn einde? Hier in het sompige moeras, in deze vochtige kille lucht, terwijl in Amsterdam het leven in volle gang is?

 

“Versnellen,versnellen! Je moet versnellen. Gebruik die afdaling!” Met alle moeite trek ik me weer in gang, tik even de 50 aan, maar sterf een langzame dood. De finish is verder dan verwacht en staat verscholen achter de bocht, wat de moraal onbewust aantast. In de verte staan Steven en Léon. Ze lijken wat te roepen. Een laatste stuiptrekking doet de snelheid nog even stijgen maar dan is het over. Nog voor de finish heb ik mijn laatste trap gedaan.   

 

Steven op de Rode Klif

Léon op de Rode Klif

Dimitri op de Rode Klif

 

Pas dan blijkt hoe dicht het bijelkaar zit. Nog geen 3 seconden scheiden Thomas Wobma en mij. Marco Bos zit een seconde achter me, terwijl Germen van der Burg me met een seconde van de 3de plek houdt. Daarnaast zit Steven 3,5 secoden achter me, Léon volgt op 27. Het gemiddelde zit dicht tegen de 46km/u aan. Vierde, maar wel met een zeer goed gevoel naar huis. Goed, Steven’s voorbereiding was niet optimaal, het is wel de eerste keer dat ik hem heb verslagen.

(Helaas zou het bij die ene keer blijven dit jaar. De man ontwikkelde zich tot een tijdrijder puur sang...)

 

Heren A, neo en elite 

 

 

 

 

1

Thomas

Wobma

BOLSWARD

H7

09.37.45

46.13

2

Marcel

Koning de

HIPPOLYTUSHOEF

H7

09.39.06

46.01

3

Germ

Burg van der

NIJLAND

H7

09.39.14

46.00

4

Dimitri

Lafleur

GRONINGEN

H7

09.40.16

45.92

5

Marco

Bos

BOLSWARD

H7

09.41.66

45.80

6

Steven

Sloof

GRONINGEN

H7

09.43.62

45.65

7

Leon

Tolboom

GRONINGEN

H7

10.07.60

43.84

8

Hendrik

Falkena

NIJLAND

H7

10.15.93

43.25

9

Josbert

Vries de

GRONINGEN

H7

10.18.65

43.06

10

Jelmer

Hoekstra

BEETSTERZWAAG

H7

10.36.05

41.88