Mountainbiken over
asfalt
Een verslag van de estafette
wintertriathlon Inzell, Duitsland, 17 februari 2007
10km lopen, 15 km mountainbiken, 20km
schaatsen

De zon schijnt vol in Inzell. Er is geen sneeuw te bekennen en de
organisatie heeft de 3de keuzeonderdeel van de wintertriathlon,
langlaufen, moeten schrappen. De triatleten moeten nu 20km schaatsen.
Dat vinden de Nederlandse deelnemers geen probleem, maar daardoor is de
internationale inbreng tot bijna nul gereduceerd. Het feit dat de
commentator het geheel in het Duits aan elkaar lult, verdringt dat
jammelijke feit op de achtergrond. Ik loop mezelf in de juiste
concentratie te ijsberen. Iemand probeert nog een praatje te maken,
maar ik merk dat ik daar niet de persoon voor ben zo kort voor een
wedstrijd. We doen met 3 teams van de NAM mee aan het estafette
onderdeel va de wintertriathlon in Inzell. Mijn team heeft dit uitje
als cadeau gekregen omdat we de bedrijvenestaffette hebben gewonnen
vorig jaar oktober in Assen. Mijn loper, Ger Kragten, is al een tijdje
onderweg.

Zijn 10km loopt in het begin bergop, alvorens in een lange lijn
bergafwaards te eindigen in de onoverdekte ijstempel. De eerste loper
is al een tijdje binnen, waardoor de eerste mountainbiker zo
langzamerhand een onoverbrugbare voorsprong opbouwt. Vooral mijn
schaatser, Johan Lek, heeft van alle daken lopen schreeuwen dat wij
hier wel even 1ste zouden worden. Ik heb daar niet aan willen mee doen,
en het lijkt nu een verstandinge beslissing te zijn geweest. Ger komt
met 3 minuten achterstand binnen. Hij heeft zijn 10km in
41’28” afgeraffeld, gezien het hoogteverschil is
dat erg snel. “Links”. Dat was van te voren
afgesproken teken om duidelijk te maken om welke enkel de transponder
zou zitten. Ik zou de transponder eraf halen, en niet Ger. De kans kon
bestaan dat hij zo diep gegaan zou zijn, dat hij letterlijk niet meer
wist wat hij zou moeten doen, na de finish. Net als in Assen, is het
afhalen van de transponder een hels karwij onder de druk van seconden.
Als een rennende dame op hakken, tippel ik naar mijn mountainbike. Ik
ben allang blij dat er geen sneeuw ligt. Ten eerste heb ik geen andere
banden bij me en ten tweede betekent dit dat het parkoers zich
voornamelijk op asfalt afspeelt: een vermogensparkoers, en dat komt de
tijdrijder in mij alleen maar ten goede. Het drassige heuveltje neem ik
uiterst voorzichtig, om dan in vol tempo de weg op te schieten. Daar
waar ik in de verkenningsronde 20 reed, rijd ik nu 40. Mijn hart zit na
een halve minuut al in mijn keel. Ik heb hier al de afgelopen 2 dagen
last van. Het heeft alles te maken met de hoogte. Inzell ligt op 730m,
en je merkt het. Tijdens de verkenning gisteren was ik buiten adem na
het eerste heuveltje, en dat had me beangstigd omdat ik de hele winter
toch redelijk goed had doorgetraind. Blijkbaar heeft je lichaam er een
week voor nodig om echt te wennen aan nieuwe omstandigheden. Die week
had ik niet en ik moest het hier mee doen. Ik proef de ijzersmaak in
mijn mond, althans zo beschrijf ik het, want ik weet eigenlijk niet wat
het is. Van mijn longen wordt het extreme verlangt, en deze
ijzer/bloedsmaak is waarschijnlijk de eerste waarschuwing van mijn
lichaam dat het bijna welletjes is. De beklimmingen van een meter of
20-30 doen pijn en heb alle moeite om de snelheid niet teveel te laten
zakken. Halverwege, op het plateau gelegen op 800m heeft de wind vrij
spel en met het vals plat omhoog schakelt het masochisme een tandje
bij. Ik sta op het punt van overgave, maar ik kan me een afgang niet
veroorloven; ik kan mijn team niet in de steek laten. Het stuk door het
bos gaat iets omlaag, en had graag een recuperatiemoment ingebouwd.
Maar ik denk alleen dat ik tijd verloren heb in het gedeelte omhoog en
ram naar beneden. De bochten zijn flauw en rammen kan dan ook. Af en
toe flitst er een toeschouwer voorbij. In mijn grimas moet de pijn
zichtbaar zijn.

Waar is die eerste fietser? Ik denk er eigenlijk nu pas aan. Als ik
‘m nu nog niet in het zicht heb ga ik ‘m niet meer
pakken. Op de laatste 5 kilometer ga ik geen 2 minuten meer
dichtrijden. Het zei zo, ik heb er eigenlijk direct vrede mee. Ik heb
wel iets anders aan mijn hoofd: een lichaam dat op het punt staat in te
storten door de overdosis melkzuren. De benen lijken pijn te doen, maar
eigenlijk voel ik dat ook niet. Ik ben vooral buitenadem. De laatste
afdaling met een bocht naar links neem ik toch vol, het moet zo snel
mogelijk afgelopen zijn. In de verkenning had ik me nog zo voorgenomen
hier niet vol door te gaan. Het was slechts een mountainbike
wedstrijdje, en totaal geen doel op zich. Ik had nog een heel
wegseizoen te gaan. Er lag behoorlijk wat grind en steentjes en ik
wilde hier uitsluiten dat ik op mijn bek zou gaan. Maar dit was geen
mountainbike wedstrijdje meer: dit was een tijdrit geworden. Ik leg de
Rockhopper schuin in de bocht en zeil de bocht door. Alsof het een
overwinning betrof werd ik gevoed door extra adrenaline en knalde naar
de finish. Nog eenmaal het drassige heuveltje, waar ik bijna de bocht
uitvloog door de betrachte omzichtigheid, afstappen en rennend naar de
start voor de schaatser. Pas toen kwam de klap: de omschakeling van
fietsen naar lopen is verschrikkelijk. De snelheid is totaal verdwenen,
en de tijd tikt door. Op gymschoenen ren je makkelijk, maar op deze
wielrenschoenen is het een crime. Het halve rondje rond de ijsbaan is
een hel. Ik ruk de transponder af en roep iets als
‘go’. Het heeft iets wanhopigs, alsof de hoop ijdel
is dat we er ook maar iets mee opschieten. Toch zit er ook hoop in,
hoop dat Johan er iets aan heeft. Ik zwalk langs de bankjes van de
schaatsers en probeer op adem te komen. Ik hoor het geklik van
klapschaatsen. Johan heeft zijn eerste rondje erop zitten. Pas nu wordt
me duidelijk dat we het eerste team op het ijs zijn. Heb ik dan toch
die fietser ingehaald? Waar heb ik hem dat te grazen genomen? Ik kan me
geen enkel moment voor de geest halen waar ik een fietser gezien heb.

Johan nestelt zich met Robert Beute en Martin Veenhuizen, beiden
deelnemend aan de individuele triathlon, in een groepje, en draait zijn
rondjes. Omdat de afstand met de nummer 2 aanzienlijk is, is er van een
echte wedstrijd nooit sprake.
Patrick Reinders probeert het nog wel, maar de achterstand is gewoonweg
te groot. Na 1 uur, 47 minuten en een beetje komt Johan leeg over de
finish. Hij is kapot en kan nauwelijks nog op de been blijven staan. We
hebben zowaar onze eerste prijs binnen van het seizoen. Ik blijk de
snelste fietstijd gefietst te hebben, en daar ben ik wel tevreden mee.
Dat moet een opmaat voor het seizoen zijn.


