Inzell roept
Een verslag van de estafette NK wintertriathlon Assen, Nederland, 28 oktober 2006
10km lopen, 50 km tijdrijden, 25km schaatsen
Dimitri,
de wielen zijn er, nog op tijd?
Het is donderdag 26-10, en om kwart voor zes komt deze e-mail binnen. Nee maar, ik zou zowaar de laatste tijdrit van het seizoen op mijn nieuwe wielen kunnen doen. Verander nooit meer iets aan je afstelling vlak voor een wedstrijd. Maar ik neig voor dit evenement een uitzondering te maken. De vorm is niet top, het seizoen heeft lang geduurt en de laatste maand zijn de trainingen niet meer van het niveau als de maanden ervoor. Ik heb alle hulp nodig die ik krijgen kan om nog een acceptabele tijd neer te zetten. Sterker nog, de tijd zal meer dan acceptabel moeten zijn, want de hoofdprijs is een geheel verzorgde reis naar Inzell om daar aan een triathlon estafette te mogen mee doen, en ik heb er mijn zinnen op gezet. Vrijdagavond rijd ik een testrondje en bega de doodzonde door boven de aerobe drempel nog een rondje te fietsen. Maar ik wilde wel weten hoe het voelt om met een dicht achterwiel en een driespaaks voorwiel te rijden. Omdat het achterwiel een discwiel is kan ik mijn kilometerteller niet monteren en moet ik het doen met de wattage meter van mijn polar. Dat kan ook wel, maar ik heb gemerkt dat ik goed kan rijden op snelheid: het is makkelijker om een snelheid vast te houden dan een bepaald wattage. Enigszins tegenstrijdig, want het eerste is afhankelijk van de wind het tweede niet. Waarschijnlijk is het makkelijker is om een voorstelling te maken van 44km/u dan van 400W.
Ik heb last van mijn keel en mijn lichaam lijkt te zeggen dat het op het punt staat van ziek worden. Ik verdenk de airco op het werk. De hoeveel bacterieen die daar door het hele gebouw verspreidt worden is volgens mij schrikbarend.
9:45
In de BMW van Charlie rijd ik naar Assen. Ik probeer het gevoel van het NCK op te roepen, maar het lukt me niet. De muziek op radio slam fm is er ook niet naar. Te veel r&b en drum ’n bass, te weinig house. Nee, met een pijnlijke keel het ziet er niet naar uit dat ik een toptijd ga neer zetten. Toch wil ik naar Inzell, en een andere plaats van de eerste zie ik als een nederlaag. Ik probeer me te ontspannen. De werkzaamheden langs de A28 helpen daarbij: je mag er niet harder dan 70.
Ik heb de tijdsplanning totaal niet in mijn hoofd zitten, alleen dat we om 11:00 verzamelen. Hoeveel tijd hebben er na nog, moeten we ons nog inschrijven, waar is mijn team? Ger Kragten, de loper, komt uit Amsterdam. Johan Lek, de schaatser, komt uit Emmen en rijdt in de morgen nog mee op de sprintafstand. Ik hoop dat hij voldoende over heeft om estafette te rijden, maar heb er een beetje een hard hoofd in. Door de hekken heen kijk ik naar de fietswissel van deelnemers aan de individuele wintertriatlon. De omschakeling naar een andere sport is maar raar: je komt met een noodgang met je fiets richting finish en vervolgens moet je richting schaatsbaan, rennend op je fietsschoenen. Dat kan al nauwelijks, en de omschakeling van fietsen naar lopen is groot, dus het ziet er niet uit. In mijn achterhoofd zit nog steeds het idee om eens een triatlon te doen, maar dat vergt waarschijnlijk een nog grotere toewijding.
11:35
Ik zit de grote zaal van de Smelt die verdeeld is in twee delen. Het ene deel is de omkleedruimte voor de sprintafstand, de andere voor de estafetteteams. Dit is voor mij topsport ten voeten uit. Een grote zaal met rijen stoelen. De stoelen zijn genummerd. Bij de stoelen die jouw teamnummer dragen kun je je omkleden. Overal liggen sporttassen, fietshelmen, schaatsen. Blijkbaar is het onderling vertrouwen en wederzijds respect zo groot dat iedereen zijn spullen redelijk onbewaakt kan laten liggen. Een van de andere wielrenners van de NAM teams moet om me lachen dat ik opwarmcreme op mijn benen smeer. Ik zou hem willen toebijten dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien en dat als hij zich optimaal zou willen voorbereiden hij hetzelfde zou moeten doen. Zo vlak voor de wedstrijd verandert gepraat vaak in gezeur aan mijn hoofd en dat heb ik nu niet nodig.
Eindelijk is mijn team kompleet. Johan is net uitgeschaatst en is warempel 1ste geworden in zijn klasse, en 4de overal. Erg knap, en hij zegt dat hij nog wel iets over heeft. Ger heeft zich warm gelopen en is klaar voor de start. We gaan snel op de foto, we wensen elkaar succes, en ik haast me naar de auto waar ik me kan warmfietsen op mijn Tacx. Ik heb Rutger’s oude fiets geleend aangezien mijn Van Herwerden nog in Voorburg is. Zijn Look-pedalen zijn wel heel ruim afgestemd en ik heb geen zin om dat te repareren. Dan maar los op de pedalen. Ik heb een kleine 20 minuten voor de warming-up. Dat is te weinig, maar het is niet anders. Ik sluit me af met mijn I-shuffle en de NCK muziek stampt door mijn hoofd. Wederom probeer ik het gevoel van die warming-up naar boven te halen, maar het lukt me niet. Mijn hartslag is ook veel hoger dan anders. Nee, lichaam en geest zijn niet in topconditie. Om 12:15 berg ik de Tacx weer op. Ger zal nu gestart zijn. Over 36 minuten zal ik aan de beurt zijn. Ik besluit om toch alleen de wielerkleding van de NAM aan te doen – ook al is het wat doorschijnend. Een laag eronder is gewoon te warm en het zweet zal dan niet weg kunnen. Het lijkt me niet goed voor de warmtehuishouding.
In de Smelt ijsbeer ik op een neer, met muziek op mijn hoofd. Ik denk aan Erben Wennemars. Hij is een meester in zich afsluiten. Hij zit op een bank en staart minutenlang voor zich uit. Als hij de starter hoort roepen dat een schaatskoppel zich klaar moet maken voor de start duikt hij ineen en bij het startschot schiet zijn lichaam iets naar voren. Pure concentratie. Ik kan me hier maar moeilijk afsluiten. Te veel mensen zitten me aan te staren en ik vind mezelf arrogant omdat ik geen praatje maak met de andere NAM-ers. Ik wens niemand succes. Ik probeer me alleen op te laden, maar het lukt maar met mondjesmaat.
12:51
‘Johan! Johan!’ Ger weet niet waar hij heen moet. Hij is klaar met zijn 10km, en is uiteraard buitenadem. Hij rent heen en weer langs een streep op de grond. Alsof hij bang is dat hij een regel overtreedt als hij eroverheen rent. Maar ik sta te wachten achter een hek, achter die streep, met tientallen fietsers, die staan te wachten op hun loper. In alle consternatie blijf ik hem ‘Johan’ noemen i.p.v. ‘Ger’. Na een 10-tal seconden neem ik de transponder over, krijg ‘m met moeite om mijn enkel, maar kan beginnen. De eerste loper is al tijden binnen en heb erg veel tijd goed te maken. Het is slechts te hopen dat de fietser van minder kwaliteit is.
Rennen op fietsschoenen is een onbegonnen zaak. Buiten hoor ik mijn naam door de megafoons. De stem lijkt erg op de stem van een bekende sportcommentator. Misschien is hij het ook wel. Het geeft een kick. Ik spring op mijn fiets, maar wordt door een official gewezen op het feit dat dat nog helemaal niet mag. Ik zeg sorry, en ren naar de startstreep. En nu,
rammen.
Mijn Polar geeft 550W aan. Dat is erg veel. Het tempo moet er dan goed inzitten, maar omdat ik geen km-teller heb, heb ik geen idee hoe hard het gaat, of het hard genoeg gaat. Mijn Polar geeft hartslag 223 aan – iets verstoort de registratie tijdelijk, dus heb erg weinig houvast. De moed zakt me een beetje in de schoenen. Dit is niet het recept dat ik nodig heb. Het enige positive is het geluid van mijn dichte achterwiel op de kasseien. Als er iets is wat me gaat redden vandaag is het het nieuwe wiel. Het klinkt angstaanjagend, en de sprong naar snelheid is snel gemaakt. Kom op man, Inzell roept.
Ik zig zag door Assen, overal staan verkeerregelaars, en ik dender blind over kruispunten waar zij het verkeer tegenhouden. Wanneer ik langs het NAM-kantoor zoef, heb ik de eerste fietser in het vizier. Bij Anreep rechtsaf naar Ekehaar. Een lang recht stuk wat iets naar bover loopt. De wind is zuid west en komt van de zijkant. Er is weinig ritme te bekennen, en ik vraag me af of 53x15 wel zwaar genoeg is. Moet ik niet de 14 er op leggen en dan de cadans omhoog gooien? Het niet hebben van een km-teller is frusterend. Ik heb nog te weinig met wattage getraind om precies te weten wat 400W werkelijk inhoudt. De scherpe bochten ga ik vierkant door: ik neem erg weinig risico. Dat gaat ten koste van de bochtensnelheid maar ik wil vallen uitsluiten. Niet in de laatste wedstrijd van het seizoen en zeker niet met de gloednieuwe wielen. En met het natte wegdek, met hier en daar wat grind, is vallen zeker mogelijk. Ik passeer Nijlande en merk dat de hartslag niet boven de 172 uitkomt. Nee, het gaat niet lekker. De wind maar vooral de benen spelen parten. Er zit niet de kracht in die er in kan zitten en zeker niet de kracht van het NCK. De training van gisteren helpt natuurlijk ook niet. Gaan we hier Inzell missen?
Voor Deurze loopt de weg weer iets en omhoog en de wind heb ik pal tegen. Ik krijg weer fietsers in het viezier. Maar de afstand wordt nauwelijks kleiner. Hoe kom ik uit deze negatieve spiraal? Wat moet ik doen om de knop om te zetten dat het harder moet? Ik besef dat ik dadelijk nog een ronde moet. Op de kasseien richting Anreep schakel ik terug. De combinatie tegenwind en kasseien is te hard voor 53x14. Een Jeep haalt me in, en blijft dan iets voor me rijden. Ik ga links op de weg rijden en word een beetje in de slipstream megezogen. Even een slag rust. Ik nader Assen en eigenlijk kan ik me op maken voor de volgende ronde. Het geeft moed, en ik schakel op naar 53x14. De kleine fietspaden zijn schoon geveegd dus het gevaar hier onderuit te gaan is veel minder groot. Ik race het bos in, waar ik de eerste bocht ruim moet nemen door de hoge snelheid. Ik voel me als een formule 1 coureur die zijn auto niet meer helemaal onder controle heeft. Ik dender weer over de kasseien en in de bocht richting de Smelt voel ik mijn achterwiel uitbreken. Ik kan corrigeren, maar de bocht moet ik erg ruim nemen. Ik raak een pion die de weg in tweeen deelt, maar blijf op de fiets. Blijkbaar is het daar erg glad. “... dimitri lafleur ... wat hij uitstekend doet...”, hoor ik de speaker schreeuwen.
Blijkbaar ben ik toch tijd goed aan het maken. Bij de finish staan al redelijk wat toeschouwers, en ik krijg aanmoedingen van een aantal NAM-ers. Vlak voor het begin van de tweede ronde haal ik de fietser van de KNSB ploeg in. Op hem heb ik in ieder geval veel tijd goed gemaakt omdat zijn loper de eerste was die binnen kwam. De klok staat op 36 minuten. Het moet sneller, ik moet me nu leeg gaan rijden. Ik kan slechts hopen dat het niet blijft bij die constatering maar dat ik het echt ga doen. Voor de 3de keer dender ik de kasseien over door het bos. Zigzaggend vlieg ik weer door Assen.
Er zit meer agressie in de pedaalslagen, en ik neem de bochten ook met meer overtuiging. Mijn Polar staat nog steeds continue boven de 400W, wat me verbaasd. Bij de brug richting Anreep krijg ik een motor in het vizier. Dat moet de kop van de wedstrijd zijn! De motor is mijn volgende doel en geef iets gas. Dan ontwaar ik ‘laatste deelnemer’ op zijn hesje. Blijkbaar heb ik de laatste deelnemer van de individuele estafette ingehaald. Ook leuk, maar dat was niet wat ik gehoopt had. Toch lijkt de vaart er nu beter in te zitten. De bochten bij Ekehaar en Nijlande gaan veel beter. Ik besef dat ik nu moet versnellen; in Assen zelf kan dat niet meer, en in het bos is het eigenlijk al te laat. Ik kan versnellen en heb voor het eerst het idee dat ik warm ben. Een echte warming-up is o zo belangrijk. Maar door alle hectiek was meer domweg niet mogelijk. Vlak voor de terugdraaiende bocht bij Assen, roep ik tegen een langzamere fietser voor me dat ik binnendoor kom. Het geeft ruim baan, en ik kan er langs. Ik bedank hem en concludeer dat triatlon inderdaad een veel hoffelijkere sport is dan wielrennen, waar ijdelheid veel vaker in de weg staat. Voor de 4de keer dender ik het bos door en sprint met 53x13 richting finish. In de laatste bocht staat een heel contigent NAM-ers te juichen.
Het heeft alles weg van echte supporters die plotseling verrast worden door een teamgenoot die veel eerder binnenkomt dan zij gedacht hadden. Dat geeft een kick. Heb ik voldoende goed gemaakt? Ik ren naar de plek waar ik mijn fiets moet neer zetten en ga de Smelt binnen. De benen doen pijn en de fietsschoentjes beletten me om echt te rennen. Het zal er wel niet uit zien, een wielrenner met een tijdrithelm op, trimmend op schoenen die op elke moment kunnen uitglijden op de gladde ondergrond. Binnen gooi ik mijn helm af, en met enige moeite krijg ik de transponder van mijn enkel. Johan rent richting het ijs en ik ben blij dat het er op zit. Ik krijg felicitaties van een aantal NAM-ers. Van Jan Jaspers krijg ik water. Hij ontfermt zich over me, alsof hij ziet dat ik nog niet helemaal helder ben. Na een tweede beker water gaat het wat beter. “Wat een klote parkoers”, kan ik uitbrengen. En dat was het ook. Zoveel scherpe bochten. Het heeft weinig met tijdrijden te maken. Daarnaast baal ik van mijn fysieke gesteldheid: het was gewoon geen topprestatie.
Snel trek ik mijn trainingspak aan. We hebben een hele NAM-kledinglijn, die we moeten dragen. Ik vind dat wel gaaf. Het brengt me een stapje dichterbij mijn voorstelling van topsport. Ik begeef me naar de ijsbaan. Ik wil Johan aanmoedigen. Er wordt druk geschreven: de loper van het team moet bijhouden hoeveel rondjes er al afgelegd zijn door de schaatser. Zelf 54 rondjes bijhouden is een onmogelijke taak. Van Johnny krijg ik te horen dat we eerste liggen van de bedrijventeams. Het is niet waar! We liggen op Inzell koers! Het enige wat Johan moet doen is de rest achter zich houden. Maar in de schaatschaos is dat wel lastig. Omdat iedereen achterelkaar de baan opkomt heb je geen idee meer wie er eerste ligt. In de estafettestand zelf blijken we 4de te liggen. Een overall podium plaats zal dus wel niet lukken, maar dat was ook niet de doelstelling. Johan krijgt het naar het eind toe moeilijk, en ik dirigeer hem naar de finish door de nog te rijden rondjes toe te schreeuwen. Bij de laatste ronde steek ik mijn vuist in de lucht, en hij begrijpt het: we hebben het gehaald – we gaan naar Inzell!
Tijdens het buffet worden de prijzen uitgereikt. De boerenkool met worst en snert smaken me prima, maar kan me maar moeilijk tot een gesprek zetten. Ik zit nog vol met ongeloof maar ook met een nare nasmaak van mijn tijdrit. Het was gewoon niet goed. Blijkbaar was ik veel sterker dan de rest, toch zit het me dwars dat ik niet onder de 1:10 heb gereden (zonder de stukjes rennen erbij) Zeker nu ik weet dat ik 1,5 minuut achter Ronnie Timmermans zat, en er zelfs 3 jongens sneller waren. Ik denk dat de km-teller me uiteindelijk de das heeft omgedaan. Maar het kan me te weinig schelen om er lang bij stil te staan. Nu een tijdje relatieve rust en dan start de aanloop naar Inzell. Ik vind dat de NAM me maar een mountainbike cadeau moet doen...