Een verslag van NK ploegentijdrit voor clubs
47 km, Hoogenzand, Nederland, 28 oktober 2006
Een actieve getuige is de meest subjectieve verslaggever van een krant. Een sfeerimpressie van zijn hand zal dan ook uitmonden in een verhaal waarvan je niet kunt aangeven wat er nu wel en niet waar is. Feit en fictie worden aaneengeregen en maken de gebeurtenis tot iets 'waar je bij had moeten zijn'. Slechts ooggetuigen en andere actieve getuigen zullen potsierlijke verzinsels kunnen afdoen als 'onzin' of 'aangedikte volzinnen'. Ik zal me dan ook de moeite besparen om precies te vertellen hoe het gisteren allemaal verlopen is: dit is een relaas van een renner die alleen maar hoopt op een goede afloop en snakt naar het moment dat de pijl vertrokken is en hij de gespannen boog weg kan leggen.
Eigenlijk had ik de perfecte korte-termijn voorbereiding. Na weken van opgebouwde training, indiduele-, koppel- en ploegentijdritten, individuele- en groepsanalyses en levendige discussies via het forum en e-mail, ging ik op woensdag op excursie naar de Ardennen en kon ik niet anders doen dan in de bus zitten en wachten. Hier en daar werd een wandelingetje gemaakt naar een goede geologische ontsluiting. Ontsluiting is de quasi-wetenschappelijke term voor een stuk rots wat goed zichtbaar is in de natuur, waar de geoloog dan zijn onderzoek aan kan wijden. Maar een onderdrukte proest is hier wel toegestaan. De week ervoor kon ik me achter de derny nog vermaken op de wielerbaan van de zeer gastvrije RWV de Spartaan, maar dat ging nu niet meer. Dat was maar goed ook, want anders was ik toch op de fiets gestapt om te kijken of de vorm toch niet echt vertrokken was zonder dat ik het had gemerkt. Dat had ik vorig jaar wel gedaan, met alle dramatische gevolgen vandien op de dag zelf. Ik zat gedwongen gevangen in een bus en dat was voor mijn eigen bestwil. Op mijn I-shuffle had ik Tiesto op repeat staan en terwijl de bus over de Belgische snelwegen raasde, droomde ik het parkoers af. Het was een fijn gevoel, maar zo onrealistisch omdat het totaal niet in de buurt kwam van de werkelijkheid. Terwijl ik met hartslag 45 in de bus weg zat te dommelen over morgen, zou ik morgen hoogstwaarschijnlijk met hartslag 180, naar adem snakkend, de pijn aan het verbijten zijn. Hoogstwaarschijnlijk zou ik iedereen die de macht zou hebben om aan deze zelf opgelegde marteling een eind te kunnen maken, smeken dat ik daar alles voor over had. Toch bleef ik naar de muziek luisteren in de hoop dat het me morgen sterker maakte.
Met Okke rijdt ik naar Hoogezand. Ondanks dat ik redelijk rustig ben en Léon iedereen van te voren een lijst heeft opgestuurd met wat in godsnaam niet vergeten moet, vergeet ik mijn tacx, maar er blijken er al genoeg te zijn. Max heeft een geweldige partytent op de kop getikt waaronder we kunnen warmrijden. Ik voel me melig, en wens dat dit zo snel mogelijk is afgelopen. Het enige waar ik me op verheug is het warmrijden met Tiesto in de oren en een reep chocola na afloop: als beloning van een dieet dat ik mezelf heb opgelegd omdat ik mijn discipline in twijfel trek betreffende het met mate consumeren van genotsmiddelen. Als in een waas zie ik de Dames vertrekken vanuit de sporthal, over een houten vlonder naar beneden. De laatste oneffenheid is weggewerkt met gloednieuw teer. Het is een verzocht detail, wat de professionaliteit van de organisatie maar al te goed weergeeft. Ik slof terug naar de tent waar Léon nog een keer het parkoers met ons doorloopt. De wedstrijddetails worden doorgesproken, en de laatste knoop wordt doorgehakt: voor het 15km punt wordt er gewacht op een beschermde renner, erna niet meer. Voor anderen is het vanaf de start keiharde pech. Rob zweert dat hij zijn stuur doormidden trekt als hij lek rijdt, Hylke zal zijn fiets in de dichtsbijzijnde sloot dumpen.
Eindelijk, ik mag de fiets op. Ik plug mijn muziek in en droom weg op de tacx. De ogen gaan dicht en rijd richting de adrenaline. Die blijkt veel dichterbij dan ik had verwacht en na 2 kleine sprintjes is het zelfvertrouwen zo ver gestegen dat ik het idee heb dat alles mogelijk is. Doordat de weerstand va de tacx laag staat, trap ik moeiteloos 65km/u weg. Dat heeft natuurlijk niets met de werkelijkheid te maken, maar het stelt me nog maar eens gerust dat het met de benen wel goed zit. Marinus en Kirsten masseren nog wat olie op de benen en ik voel me er klaar voor. "Nu vreet ik werkelijk alles op", bijt ik Hylke toe. Hij kijkt me wat ongerust aan en er komt een bedremmeld "ja" terug. We steken de koppen bijelkaar en ik moet lachen. Ik heb er zin in.
Rond de 14:20 worden we weggeschoten en na de eerste bocht en de eerste kasseien zit Hylke om te kijken. Ik rijd in zijn wiel en heb een flashback naar de ploegentijdrit op de afsluitdijk. Ook daar startte Hylke en ik vond dat het niet hard genoeg ging de bij de start en knalde er met 55km/u overheen. Ik kijk op mijn teller en er staat toch echt 46 op, terwijl we over de kasseien rammen. Misschien moet ik me maar even inhouden. Na de eerste bocht vliegen we naar links en loopt het tempo op naar 51km/u. We moeten wel, want hier is het wind mee.
Om me heen is het stil, de wind hoor je nauwelijks door de aerohelm en iedereen doet wat hij moet doen. Tekens zijn duidelijk hoewel zelfs die niet nodig zijn. Het loopt soepel, over een uur zijn we klaar. We draaien richting het zuiden en de wind komt nu van rechts. Ik had verwacht dat het tempo nu wel zou zakken maar het blijft soepel draaien. Steven, Léon en ik draaien langere kopbeurten, zodat de rest wat meer tijd heeft om te herstellen. De herkenningspunten van de video en van de parkoersverkenning schieten voorbij en in een mum van tijd draaien rechtsaf bij Tripscompagnie. Ik probeer te onthouden wanneer ik op kop kom te zitten, tel er een minuut bij op, maar na een paar seconden weet ik al niet meer wanneer ik de kop af moet geven. Ik fiets op gevoel en pas als het gevoel zegt dat het tijd wordt om af te geven, laat ik me afzakken. Langzamerhand komt er muziek in mijn hoofd zitten. Stampende bassen vergezellen me richting Annerveensche kanaal en ik zit te genieten op de fiets. Ik kijk op mijn hartslagmeter waar toch echt 175 me toelacht. Hoe is het mogelijk dat ik bij 175 nog zit te genieten? Ik besluit dat het alleen maar mooi meegenomen is en hoop dat het bij Kielwindeweer nog steeds zo is: dan kunnen we daar echt op de pedalen gaan staan.
Ik zie Léon achter me afzakken en besef dat we Rob kwijt zijn. Waar moet dat dan gebeurt zijn? Ik kan me geen plek voorstellen. Ik had niet het idee dat hij het moeilijk had, maar kan ook niets verzinnen wat er dan wel gebeurt kan zijn. Bij hartslag 175 flitsen scenario's van een 1/10de van een seconde langs het netvlies. Verder dan een schreeuwde Rob en een ineenklappend voorwiel kom ik niet. Het idee dat hij in een bocht een iets groot gaatje had gelaten, de 5 meter niet meer dicht gereden kreeg, wij het niet gemerkt hadden en hij niet geroepen had was veel te ingewikkeld. Het was dan ook niet één van de scenario's.
In Eexterveen roept een jongetje 'harder!'. Mijn eerste reaktie is 'ja, waarom gaan we eigenlijk niet harden?' We rijden 46 tegen de wind in, en in mijn met adrenaline verdronken opportunisme vind ik wel dat het wat harder kan. We draaien in Eexterzandvoort de dubbele Hylke-bocht door als Léon iets roept in de trand van 'kijk daar'. Het heeft meer om het lijf dan een willekeurige schreeuw, of 'hé', of 'wacht'. Nee, alsof we zijn vinger moeten nakijken omdat hij een mooie roofvogel heeft gezien. Ik kijk om en zie dat er een gat zit. Steven is te hard door aan het trekken en het dreigt te breken. Steven wacht, Léon kan aansluiten met Okke in zijn wiel. Steven begint langzaam op stoom te komen en het tempo vliegt omhoog als hij op kop komt. Ik vrees dat het te snel is, en we binnen nu en 2km Okke kwijt zullen zijn omdat hij voor Steven rijdt. Maar Okke blijft erbij - hij zal koste wat het kost zijn eerste NCK uitrijden.
We komen bij de kasseien, een punt waarover we vantevoren hadden besloten dat er slachtoffers zouden vallen. Dat het Léon moest zijn is echter jammer. Voordat ik het in de gaten heb, zit er een gat van 150 meter tussen. Wat nu? Wachten? Wat is er gebeurt? De scenario's van een 1/10de seconde doen geroutineerd hun ronde, maar een besluit komt er niet. Dus rijden we door, en we zijn met z'n vieren. Gedachten als 'professioneel met zijn vieren aan komen' en 'nóg meer kopwerk de komende 15km' strijden om de eerste plaats in mijn hoofd. Maar bovenal is er het geluid van dreunende bassen en een staccato synthesizer verstrengeld met de smaak van een zouter wordende bovenlip. We draaien richting Kielwindeweer waar we voorbij een bord '10km' voorbij zoeven. Ik trek het tempo tot boven de 50. Het moet, we hebben hier immers wind mee. Dat de benen vermoeid zijn en dit eigenlijk niet meer kan is een gedachte waar domweg geen plaats voor is. Sterker nog, de één-dimensionale gedachte dat er boven de 50 gereden moet worden omdát we de wind in de rug hebben is de enige waar plaats voor is in mijn tunnel. Ik ontwaar Rob langs de kant van de weg. Hij schreeuwt wat. Het doet me veel goed, terwijl vorig jaar me de moed in de schoenen zakte toen hij als toeschouwer een stukje meefietste en ik er helemaal doorheen zat. Nog even en we zijn er. We draaien de rotonde over en slaan links af richting Hoogezand, nog 7km
Nu moet het, nu moet er alles uit. Alles wat de benen nog hebben moet er nu uit in de kopbeurten. Steven roept het nog maar eens als hij van kop komt. Maar mijn tempo stokt bij 46,5. Het is eigenlijk vooral het idee dat ik zou moet lossen als het tempo omhoog schiet als Okke van kop komt, dat me er van weerhoudt om harder te stampen. Ik maak me kwaad: ik had me voorgesteld hier naar de 50 te kunnen, omdat dat in de laatste training zonder veel moeite ook lukte. In de bus door Belgie liet ik mezelf bewust de vernieling inrijden, maar nu lukte het niet. In de volgende kopbeurt forceer ik en stamp ik door naar 48. De T-splitsing van de Vosholen kan niet ver meer zijn en als een hond ren ik dat idee achterna. Als ik harder ren, zal ik het eerder te pakken hebben. We draaien de Vosholen op waar we nog op een stukje tegenwind getracteerd worden. Ik ben blij dat ik net mijn kopwerk gedaan heb, want ik zit erdoorheen. De muziek heeft me verlaten en mijn gedachten zijn verstopt met knopen van onwil en onmacht om nog verder te gaan. En dat heeft alles te maken met de finish die zo dichtbij is. De enige hoop die leeft is er te zijn, niet om er te komen. Die gedachtesprong is gemakkelijk gemaakt, en ik zal nog moeten leren die te onderdrukken. Eerst er komen, dan er zijn, in plaats van andersom. Hylke neemt de laatste bocht en ik wil er langs, om het tempo omhoog te trekken richting de finish. Hij neemt de bocht ruim en het gaatje wordt klein tussen hem en het dranghek. Ik roep 'links, links', wat in mijn redenatie betekent dat ik er aan de linkerkant langs wil, maar wat net zo goed kan betekenen dat hij naar links moet uitwijken. Hij begrijpt het echter en we suizen met z'n vieren over de finish.
Ik kreun en spuug. Het is zo visceus geworden dat er meer op de lippen blijft zitten dan dat er richting de grond gaat. Achter me hoor ik Hylke 46,04 roepen en ik hef mijn handen ten hemel. Mijn god, we hebben echt de 46 gehaald. Steven complimenteert me en ik hem, want hij heeft verschrikkelijk huis gehouden. Hylke gooit bijna zijn fiets tegen de grond omdat hij niet meer kan. Hij valt in het gras, hij is kapot. Ik voel me geweldig en eigenlijk relatief fris. Marinus adviseert ons om uit te fietsen. Jean-Pierre probeert voorzichtig Marinus' woorden te herhalen. Hij ziet dat we eigenlijk helemaal niet willen uitfietsen, terwijl dat wel het beste is. Ik wil eigenlijk wel uitfietsen. Ik wil niet tussen al deze mensen staan. Ik wil in mijn roes blijven en genieten van wat ik net heb meegemaakt. Ik denk aan Bram de Groot die na een Alpen etappe een microfoon onder zijn neus gedrukt krijgt terwijl hij helemaal stuk gereden is. 'Laat me met rust!' Het leverde hele mooie televisie op, maar het was zo'n eerlijk antwoord dat de journalist eigenlijk had moeten stoppen. Ik geef iedereen een high-five en rijd dan weg. Alsof ik de film nog een keer wil laten afspelen maar nu met een rustige hartslag. Het enige wat ontbrak was een lange rechte, lege weg waar ik met 50 overheen kon scheuren: het lijf zat nog zo vol met adrenaline dat ik het idee had nog wel een half uurtje te kunnen tijdrijden. Okke komt naast me rijden en zegt dat het huilen met nader staat dan het lachen. 'Van mij mag je.' Ik begrijp hem maar al te goed: je bent zo diep gegaan dat je geen raad meer weet met je emoties. Ben ik nu blij dat het over is? Komt nu pas de reactie op de langdurige pijn? Of is het de reactie op het ongeloof dat dit mogelijk is met een lichaam waar ik me in schuil houd? Met diepe zuchten probeer ik me de werkelijkheid in te sleuren. Het lukt nauwelijks. De flow is te overweldigend geweest om zo maar aan de kant te schuiven. En eigenlijk vind ik dat prima. Des te meer kans is er dat ik dit nog lang zal heugen.
Natuurlijk rijst nu de vraag of we echt goed gereden hebben en of we harder hadden gekunt als we het anders hadden aagepakt. Dat laat ik echter aan de oplettende forum-lezer. Ik heb in ieder geval een heerlijke wedstrijd gereden en ben trots op de teamprestatie die we hebben neergezet, die ergens in juni begon en op 30 september eindigde. Een 2 jaar oude vereniging die in de top 40 van Nederland thuis hoort mag daar zeer trots op zijn. Volgend jaar gaan we voor de top 25.